ECLI:NL:RBMNE:2021:6528

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2021
Publicatiedatum
25 januari 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1916
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen verbod inkoop zorg bij sociaal netwerk in pgb maatwerkvoorziening

Eiser, met niet aangeboren hersenletsel en cognitieve beperkingen, kreeg een maatwerkvoorziening individuele begeleiding toegekend via een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2 uur per week. Verweerder stelde als voorwaarde dat de ondersteuning vanaf 1 januari 2020 alleen bij een professionele partij mocht worden ingekocht, niet meer bij zorgverleners uit het sociale netwerk.

Eiser voerde aan dat onduidelijk was welke hulp hij precies nodig had en dat het besluit prematuur was, omdat niet was vastgesteld waarom het sociale netwerk de hulp niet kon bieden. Hij stelde dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat eerdere behandelgegevens niet waren betrokken.

De rechtbank oordeelde dat het advies van Treve, gebaseerd op een recent neuropsychologisch onderzoek, een deskundigenadvies was dat zorgvuldig tot stand was gekomen. Eiser had onvoldoende medische stukken overgelegd om het advies te betwisten. Gezien de monitoring sinds 2016 en de evaluaties was het besluit niet prematuur.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het verbod om zorg via het sociale netwerk in te kopen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Wortel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Chahid).

Inleiding en procesverloop

Bij besluit van 26 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een
maatwerkvoorziening individuele begeleiding toegekend voor 2 uur per week, voor de
periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 in de vorm van een pgb. Aan dit
besluit heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat eiser de ondersteuning inkoopt bij een professionele partij en dat hij met ingang van 1 januari 2020 geen zorg meer mag inkopen bij zorgverleners uit zijn sociale netwerk.
Bij besluit van 6 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021via Skype. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De moeder van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.2.
Eiser, geboren op [1997] is bekend met niet aangeboren hersenletsel. Als gevolg hiervan ervaart hij lichamelijke beperkingen en heeft hij een cognitieve en sociale achterstand. Op 20 mei 2016 is het Buurtteam een onderzoek gestart naar de hulpvraag van eiser. Met ingang van 3 november 2016 tot en met 2 november 2018 is aan eiser een maatwerk-voorziening ambulante begeleiding voor 3 uur per week toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.3.
Op 14 september 2018 en op 19 april 2019 heeft het Buurtteam de
maatwerkvoorziening geëvalueerd en geconcludeerd dat er in eisers situatie sinds 2016
weinig is veranderd. De doelen die zijn geformuleerd op 14 september 2018, zijn
ongewijzigd. Het Buurtteam is van mening dat aan eiser professionele hulp moet worden
verleend zodat eiser zelfstandig stappen leert te zetten en er een langdurige oplossing voor zijn klachten komt. Nadat eisers moeder op 7 mei 2019 aan verweerder heeft medegedeeld dat medio mei 2019 een IQ- onderzoek zal plaatsvinden, heeft verweerder de indicatie verlengd tot 31 juli 2019.
1.4.
In mei 2019 heeft [instantie 1] neuropsychologisch onderzoek gedaan
naar het cognitief functioneren van eiser. Uit de rapportage van [instantie 1] blijkt onder
meer dat er andere factoren van invloed zijn op eisers cognitieve mogelijkheden zoals fysieke klachten als vermoeidheid en hoofdpijn en mogelijk psychologische factoren. Het harde werken leidt niet tot iets positiefs waardoor het zelfvertrouwen niet toeneemt. [instantie 1] acht het van belang dat wordt onderzocht in hoeverre eiser meer positieve ervaringen kan opdoen om een negatieve spiraal te doorbreken.
1.5.
Verweerder heeft naar aanleiding van de rapportage van [instantie 1] op 3 juli
2019 advies gevraagd aan Treve Advies (hierna: Treve). Op 16 september 2019 heeft
[indicatieadviseur] (hierna: [indicatieadviseur] ), indicatieadviseur bij Treve advies uitgebracht. [indicatieadviseur] adviseert inzet van professionele begeleiding met specifieke vaardigheden gedurende 2 uur per week en het afbouwen van begeleiding door het sociale netwerk. Vervolgens heeft de bestreden besluitvorming plaatsgevonden.
Het bestreden besluit
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Uit het advies van Treve, waarbij de rapportage van [instantie 1] is betrokken, volgt dat de noodzaak bestaat voor professionele begeleiding zodat eiser zijn maatwerkvoorziening moet verzilveren bij een professionele partij. Verweerder is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. Het besluit is gebaseerd op de bevindingen van het buurtteam en op de adviezen van [instantie 1] en Treve.
Het standpunt van eiser
3. Eiser heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat onduidelijk is welke hulp hij exact nodig heeft en waarom het sociale netwerk deze hulp niet kan bieden. Daarom moet eerst worden vastgesteld welke hulp eiser nodig heeft. Het besluit van verweerder is daarom prematuur en in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Niet gebleken is dat Treve – naast de rapportage van [instantie 1] – ook de informatie van eerdere behandelaren heeft betrokken. Eiser wijst in dat verband op het zorgplan van [instantie 2] van 22 augustus 2011. Door [instantie 1] is niet gesteld dat eiser professionele begeleiding nodig heeft maar dat er nader onderzoek moet plaatsvinden naar de oorzaak van het gebrek aan zelfvertrouwen bij klager. Het onderzoek is dan ook niet zorgvuldig, aldus eiser.
Het wettelijk kader
4. Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening moet een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Het oordeel van de rechtbank
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de maatwerkvoorziening begeleiding noodzakelijk is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser door het sociaal netwerk kan worden begeleid of door een professionele begeleider.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat het door Treve uitgebrachte advies van 16 september 2019 kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Het advies voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Uit het advies blijkt duidelijk welk onderzoek heeft plaatsgevonden en op basis van welke gegevens de indicatieadviseur tot haar bevindingen is gekomen. Ook de totstandkoming van het advies en de gegeven indicatie kan, gelet op de verrichtingen en de daarbij betrokken informatie, als zorgvuldig worden aangemerkt. Gezien dit zorgvuldig onderzoek is de rechtbank van oordeel dat verweerder van de indicatiestelling van het advies mocht uitgaan. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om (medische) stukken te overleggen die aan het advies van verweerder doen twijfelen. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stellingen niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd. De enkele verwijzing naar het zorgplan van [instantie 2] van 22 augustus 2011 is hiertoe onvoldoende. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat Treve het (recente) rapport van [instantie 1] heeft betrokken. Eiser heeft geen (medische) stukken in het geding gebracht die twijfel wekken over de juistheid van het adviesrapport van Treve. Nu Treve zorgvuldig onderzoek heeft verricht en sprake is van een objectief deskundigenonderzoek, heeft verweerder het adviesrapport van Treve aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
5.2.
Voorts overweegt de rechtbank dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat verweerders besluitvorming prematuur is. Uit het dossier volgt dat verweerder sinds 2016, ten tijde van het toekennen van een maatwerkvoorziening aan eiser, de hulpvraag van eiser heeft gemonitord en bekeken of de doelstellingen van eiser (kunnen) worden behaald. In 2018 heeft verweerder geconstateerd dat er in twee jaar weinig is veranderd en dat er moet worden ingezet op een duurzame oplossing en dat stappen richting behandeling en professionele begeleiding noodzakelijk zijn. Vervolgens heeft verweerder na ontvangst van de rapportage van [instantie 1] advies gevraagd aan Treve zodat – gezien voornoemd tijdsverloop - niet gesteld kan worden dat verweerder prematuur heeft beslist.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd derechter
uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.