ECLI:NL:RBMNE:2021:6555

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2021
Publicatiedatum
28 januari 2022
Zaaknummer
UTR 21/3657
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking bestuurlijke boete door Minister voor Rechtsbescherming

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Minister voor Rechtsbescherming op 5 oktober 2020 een bestuurlijke boete opgelegd aan verzoeker. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze boete, maar dit bezwaar werd op 4 februari 2021 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.

Op 8 november 2021 trok de Minister het bestreden besluit in, verklaarde het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit, waardoor de bestuurlijke boete kwam te vervallen. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de Minister tegemoet was gekomen aan het beroep en veroordeelde de Minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 748,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de Minister ook het betaalde griffierecht van € 360,- moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 15 december 2021.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ad € 748,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3657

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [vestigingsplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en

De Minster voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 5 oktober 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan verzoeker een bestuurlijke boete opgelegd.
In het besluit van 4 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 8 november 2021 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en in plaats daarvan het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Dat betekent dat de opgelegde bestuurlijke boete komt te vervallen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Verzoeker heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-), met een wegingsfactor 1.
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 360,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.