ECLI:NL:RBMNE:2021:658

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 februari 2021
Publicatiedatum
22 februari 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3391
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AKWArt. 4 AKW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken exclusieve opvoedingsrelatie met pleegkind

Eiseres, die voogdij heeft over een kind geboren in 2009, vroeg kinderbijslag aan voor het tweede kwartaal van 2020. Het kind woonde echter nog in Suriname terwijl eiseres sinds maart 2020 in Nederland was ingeschreven. De kern van het geschil was of eiseres op 1 april 2020 als pleegouder kon worden aangemerkt volgens artikel 7, eerste lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank stelde vast dat een pleegkind volgens artikel 4, derde lid, AKW een kind is dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat opvoeden inhoudt bijdragen aan de verstandelijke, zedelijke, geestelijke en sociale ontwikkeling, wat een nauwe exclusieve relatie vereist. Gezien de grote afstand tussen eiseres en het kind was deze relatie niet aanwezig op de peildatum.

Hoewel eiseres de intentie had het kind kort na 1 april 2020 naar Nederland te halen, was de feitelijke situatie doorslaggevend. Het kind verbleef bij een nicht in Suriname die een opvoedende rol vervulde. Hierdoor kon niet worden gesproken van een exclusieve opvoedingsrelatie tussen eiseres en het kind op 1 april 2020.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres op kinderbijslag voor het tweede kwartaal 2020 wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een exclusieve opvoedingsrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma-Hovers).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres
over het tweede kwartaal 2020 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) toe te kennen.
Bij besluit van 2 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2021, door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres heeft op 13 september 2016 de voogdij gekregen over [kind] , geboren op [2009] . Zij woonde toen met [kind] in Suriname. Eiseres is teruggekeerd naar Nederland en staat vanaf 25 maart 2020 ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeente [gemeente] . Eiseres heeft op 23 mei 2020 een aanvraag gedaan om kinderbijslag voor [kind] . [kind] woonde op dat moment nog in Suriname.
2. Tussen partijen is in geschil of eiseres over het tweede kwartaal van 2020 recht heeft op kinderbijslag voor [kind] . Daarbij staat de vraag centraal of zij op 1 april 2020 aangemerkt moet worden als pleegkind van eiseres, zodat voor haar op grond van artikel 7, eerste lid, van de AKW aanspraak kan bestaan op kinderbijslag.
3. Op grond van artikel 4, derde lid, van de AKW wordt een kind als pleegkind beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Uit het beleid van verweerder en uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat verweerder onder opvoeden verstaat het bijdragen tot de verstandelijke ontwikkeling en de zedelijke, geestelijke en sociale vorming van het kind
.Dit laatste veronderstelt een frequent aanwezig zijn van de verzekerde in de nabijheid van het kind. Indien de verzekerde en het betrokken kind op grote afstand van elkaar wonen, zal er blijkens de uitspraken van de CRvB van 4 november 1994 en 12 maart 2009 [1] geen sprake kunnen zijn van een pleegkindsituatie. Immers, de opvoedingseis moet tot uitdrukking komen in een nauwe exclusieve (opvoedings)relatie tussen de verzekerde en het kind. Daarvan kan eerst gesproken worden wanneer de verhouding tussen pleegouder en pleegkind in zekere mate een duurzaam en bestendig karakter draagt.
4. De rechtbank benadrukt dat voor het recht op kinderbijslag van belang is om te beoordelen of eiseres op 1 april 2020 voldoet aan de opvoedingseis zoals onder overweging 3 is omschreven. Dat eiseres [kind] in de periode daarvoor heeft opgevoed is niet van belang voor de situatie per 1 april 2020. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat op 1 april 2020 tussen eiseres en [kind] geen nauwe exclusieve (opvoedings)relatie bestond als hiervoor bedoeld. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres op dat moment in Nederland woonde en dat [kind] bij een nicht in Suriname verbleef. Gezien de afstand is het onmogelijk geweest voor eiseres om zich daadwerkelijk en voldoende te bemoeien met de opvoeding van het kind. Zij is dan ook niet in de gelegenheid geweest om in een toereikende mate feitelijk gestalte te geven aan de opvoeding van [kind] . Eiseres stelt weliswaar dat de intentie was dat [kind] kort na 1 april 2020 naar Nederland zou komen, maar heeft dat verder niet onderbouwd. Bovendien is de feitelijke situatie van belang en die was nu eenmaal zo dat eiseres gescheiden leefde van [kind] . Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de nicht, gelet op de leeftijd van [kind] , op 1 april 2020 een rol heeft moeten hebben gehad in de opvoeding. Dat maakt dat niet kan worden gesproken van een exclusieve (opvoedings)relatie tussen eiseres en [kind] .
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Bouteibi, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.