ECLI:NL:RBMNE:2021:6621
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Eiseres, werkzaam als pedagogisch medewerkster, meldde zich ziek op 5 februari 2018 en vroeg per einde wachttijd een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 3 februari 2020 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit.
Eiseres stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat er geen fysiek spreekuurcontact en geen lichamelijk onderzoek plaatsvond in de bezwaarfase, en dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen. Ook vond zij dat er een urenbeperking op energetische en preventieve gronden moest worden aangenomen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en voldeed aan de eisen van de Centrale Raad van Beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had gemotiveerd waarom geen fysiek contact nodig was en baseerde zijn oordeel op uitgebreide medische informatie, waaronder een second opinion. De klachten werden als fibromyalgie geduid met beperkingen voor zware fysieke belasting, maar zonder medisch substraat voor verdere beperkingen.
De arbeidsdeskundige had gemotiveerd dat de belastbaarheid niet werd overschreden en de geduide functies geschikt waren. De rechtbank volgde deze beoordeling en concludeerde dat eiseres geen recht heeft op WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.