Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] ,
[(ex)werkgever] , (ex-)werkgever,
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres, werkzaam als jeugdprofessional, diende een WIA-uitkering aan na ziekte door een auto-ongeval. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 56,26%, later bij bezwaar verlaagd naar 53,77% op basis van nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, met name op het gebied van fysieke belastbaarheid en urenbeperking. Zij betwistte ook de geschiktheid van de door het UWV geduide functies en vroeg om inzage in notities van de primaire arbeidskundige.
De rechtbank overwoog dat het UWV-rapport aan de vereiste zorgvuldigheid, consistentie en begrijpelijkheid voldeed. Het rapport van de bedrijfsarts van eiseres bood onvoldoende medische onderbouwing om het UWV-standpunt te weerleggen. De arbeidskundige beoordeling van het UWV werd als toereikend en goed gemotiveerd beoordeeld.
De rechtbank wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af en concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld op 53,77%. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit over haar arbeidsongeschiktheid is ongegrond verklaard en de vaststelling van 53,77% bevestigd.