ECLI:NL:RBMNE:2021:6635
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag voor zorgverlener
Verzoeker heeft een aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) gedaan die door de minister van Rechtsbescherming is afgewezen vanwege strafbare feiten in het Justitieel Documentatiesysteem, waaronder vermogensdelicten zoals inbraak en overtreding van de Opiumwet. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek mondeling en oordeelde dat het standpunt van de minister dat het objectieve criterium is vervuld niet onredelijk is, mede gezien recente dagvaarding voor een openstaand feit. Hoewel verzoeker stelt dat alleen zeden- en geweldsdelicten risico's voor de functie van zorgverlener vormen, achtte de rechter ook andere strafbare feiten relevant vanwege de kwetsbare zorgrelaties.
Ten aanzien van het subjectieve criterium vond de voorzieningenrechter het niet onredelijk dat de belangenafweging in het nadeel van verzoeker uitviel, mede gezien de relatief korte periode van gedragsverbetering en de ernst van eerdere delicten. De verklaringen van werkgever en wijkagent waren onvoldoende om het bezwaar kansrijk te maken.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt afgewezen.