Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van6 april 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats 1] , eiseres,
Inleiding
.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres werkte sinds 2015 bij een werkgever en ontving vanaf 2019 een pensioenuitkering. Na beëindiging van haar dienstverband in januari 2020 startte zij een nieuwe baan en vroeg zij een WW-uitkering aan. Het UWV kende haar aanvankelijk een WW-uitkering toe, maar herzag dit besluit en vorderde een deel terug omdat haar pensioenuitkering als inkomen werd meegeteld.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat haar pensioenuitkering niet in mindering mocht worden gebracht omdat zij deze al ontving vóór haar dienstverband. De rechtbank oordeelde dat deze uitzondering niet van toepassing was omdat de pensioenuitkering pas in 2019 startte, terwijl het dienstverband in 2015 begon.
Daarnaast verwierp de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat het UWV terecht de wet- en regelgeving toepaste. Het beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.