ECLI:NL:RBMNE:2021:6730
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en beroep tegen vastgestelde waarde 2020
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een woning centraal. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, stelde de waarde van de woning aan de [adres] te [plaats] voor het belastingjaar 2020 vast op € 1.049.000,-. Na bezwaar werd deze waarde bijgesteld naar € 847.000,-. Eiser betwist deze waarde en stelt dat de WOZ-waarde niet hoger mag zijn dan € 835.000,-.
De rechtbank overweegt dat verweerder de bewijslast draagt om aan te tonen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder onderbouwt de waarde met een taxatiematrix en een taxatierapport, waarin vergelijkingsobjecten zijn gebruikt die qua kenmerken voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser. Eiser voert aan dat sommige vergelijkingsobjecten niet passend zijn en verwijst naar een lagere taxatie in het kader van planschade, maar de rechtbank stelt vast dat een planschadetaxatie een ander doel en uitgangspunt heeft dan de WOZ-waardebepaling.
Verder is het gedeelte van het perceel dat in een andere gemeente ligt niet onderdeel van dit geschil. Omdat eiser zijn lagere waarde niet voldoende heeft onderbouwd, wordt het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat de waarde van € 847.000,- als WOZ-waarde voor 2020 gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 847.000,- wordt ongegrond verklaard.