Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
gemachtigde: G. Gieben,
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
.De beslissing is uitgesproken op
Rechtbank Midden-Nederland
De eigenaar van een vrijstaande woning aan een adres te een plaats maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €612.000,- voor het belastingjaar 2020. Hij stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld en voerde aan dat de waarde €575.000,- zou moeten bedragen, onderbouwd met een taxatierapport. Tevens stelde hij dat onvoldoende rekening was gehouden met de ligging tegenover een boerderij, het indexeringspercentage en de aanstaande eerste grote onderhoudsbeurt.
De gemeente, als verweerder, voerde aan dat de vastgestelde waarde juist was en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin vergelijkingsobjecten waren opgenomen, inclusief correcties voor ligging en indexering. De rechtbank oordeelde dat de gemeente met deze onderbouwing aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De correctie voor de ligging tegenover de boerderij werd als passend beoordeeld.
De rechtbank verwierp het beroep van de eigenaar, mede omdat zijn argumenten over de onderhoudsbeurt en indexering onvoldoende waren onderbouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het beroep werd ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €612.000,- wordt ongegrond verklaard.