Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
gemachtigde: G. Gieben,
1.Procesverloop
2.Overwegingen
3.Beslissing
.De beslissing is uitgesproken op 29 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van haar appartement, gelegen nabij een drukke weg, en stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld op €301.000. Zij voerde aan dat de indexering van referentieobjecten onduidelijk was, dat geen correctie was toegepast voor het aandeel in het VvE-reservefonds en dat verweerder niet voldeed aan zijn informatieplicht volgens artikel 40 Wet Pro WOZ en artikel 7:4 Awb Pro.
Verweerder onderbouwde de WOZ-waarde met een taxatierapport waarin de woning werd vergeleken met vier referentieobjecten met vergelijkbare ligging en kenmerken. De rechtbank oordeelde dat de waardebepaling met de vergelijkingsmethode zorgvuldig was uitgevoerd en dat de ligging nabij de weg adequaat was meegenomen, aangezien referentieobjecten dezelfde ligging hadden.
Hoewel verweerder de gevraagde grondstaffel en taxatiekaart niet verstrekte, achtte de rechtbank dit niet doorslaggevend omdat voldoende vergelijkbare verkoopgegevens beschikbaar waren. De rechtbank volgde het hof Den Haag in de opvatting dat het aandeel in het VvE-reservefonds uit de koopsommen van referentieobjecten moet worden gehaald, maar concludeerde dat dit niet tot een lagere WOZ-waarde leidt.
Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €301.000 bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €301.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde bevestigd.