Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: W.A. Postma).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 16 juni 2019 te veel WW-uitkering had ontvangen wegens niet-verrekening van Ziektewetuitkeringen. Het UWV herzag de uitkering over de periode 16 juni 2019 tot en met 31 augustus 2019 en vorderde €3.578,67 terug.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tijdens de bezwaarprocedure. Op 9 juni 2021 nam het UWV een beslissing op bezwaar waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond werd verklaard. Verzoeker werd vervolgens in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen, maar deed dit niet binnen de gestelde termijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het connexiteitsvereiste niet was vervuld; er was immers geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Daarom kon de voorzieningenrechter geen uitspraak doen over het verzoek. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroep na bezwaar.