ECLI:NL:RBMNE:2021:6813
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning aan de [adres 1] in [woonplaats]
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning gelegen aan een adres in een woonplaats, vastgesteld op €519.000 voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, heeft het bezwaar van eiser eerder ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2021 behandeld via een Skypeverbinding, waarbij partijen zich lieten vertegenwoordigen. Verweerder heeft een taxatiematrix en toelichting overgelegd ter onderbouwing van de waardebepaling. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede doordat de woning is vergeleken met voldoende vergelijkbare referentiewoningen en rekening is gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen.
Eiser stelde dat het recht van overpad als waardedrukkend effect had moeten worden meegenomen, maar de rechtbank constateert dat dit recht ten onrechte als waardeverhogend effect is verwerkt. Desondanks blijft de waardering volgens de rechtbank verdedigbaar. Ook het betoog dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerde staat van de woning en het afnemend grensnut wordt verworpen, mede omdat het voorzieningenniveau op 'matig' is vastgesteld en vergelijkbaar is met referentiewoningen.
De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is mondeling gedaan en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.