ECLI:NL:RBMNE:2021:6814
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep huurder tegen WOZ-waarde woning
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist de huurder van een woning de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2020. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op €132.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Het bezwaar van de huurder werd door verweerder ongegrond verklaard, waarna de huurder beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat de huurder geen direct belang heeft bij de WOZ-waarde, aangezien er geen belastingaanslag aan hem is opgelegd waarin deze waarde als heffingsmaatstaf is gebruikt. De gemachtigde van eiser kon geen duidelijk belang aangeven voor het verzoek tot verlaging van de WOZ-waarde. Desondanks heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk behandeld.
Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd waaruit blijkt dat de WOZ-waarde is vastgesteld met behulp van een vergelijkingsmethode met referentiewoningen. De rechtbank acht deze methode en de onderbouwing voldoende aannemelijk. Ook het ontbreken van een correctie op de VvE-reserve leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van willekeur en verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is mondeling gedaan op 24 november 2021 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep van de huurder tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.