De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 23 juli 2021 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van handel in verdovende middelen.
De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het ontnemingsrapport, waarin het aantal dealmomenten, gemiddelde verkoopprijs en duur van de handel werden geanalyseerd. De bruto opbrengst werd vastgesteld op €179.846,40, waarvan 50% als inkoopkosten en €247,50 aan telefoonkosten werden afgetrokken, resulterend in een totaal van €89.675,70.
Gezien aanwijzingen dat meerdere daders betrokken waren bij de drugslijn, werd het voordeel toegerekend voor 70% aan veroordeelde, wat neerkomt op €62.772,99. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank op 20 augustus 2021, waarbij de vordering van de officier van justitie werd toegewezen.