In deze zaak vordert eiser de opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde op zijn aandeel in onroerend goed is gelegd. Het geschil betreft een executiegeschil waarbij de kern ligt bij de vraag of eiser persoonlijk aansprakelijk is voor een vordering die gedaagde stelt te hebben op de vennootschap waarvan eiser bestuurder is.
De feiten betreffen de verkoop en levering van een pand dat onder klassiek strafrechtelijk beslag stond en de daarop volgende ontbindende voorwaarden en vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Gedaagde stelt dat eiser als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is vanwege het niet nakomen van afspraken omtrent het doorhalen van het beslag en het mogelijk maken van verkoop.
De rechtbank overweegt dat de vordering niet summierlijk ondeugdelijk is gebleken en dat de bestuurdersaansprakelijkheid niet zonder meer kan worden uitgesloten. Een uitgebreid feitenonderzoek is nodig, wat in deze kort gedingprocedure niet mogelijk is. Ook de belangenafweging leidt tot handhaving van het beslag, omdat gedaagde anders geen verhaal heeft en eiser onvoldoende onderbouwt dat hij het beslag moet worden opgeheven.
De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en op 3 december 2021 in het openbaar uitgesproken.