Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser ontving sinds februari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 58,5%. Omdat deze uitkering de maximumduur bereikte, werd hem vanaf januari 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. De ex-werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit vanwege het ontbreken van medisch en arbeidskundig onderzoek. Na aanvullend onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bleek eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt te zijn, waarop verweerder besloot de uitkering per juli 2020 te beëindigen.
Eiser voerde aan dat zijn medische situatie niet was verbeterd en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig en onjuist was, mede omdat geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en de geduide functies ongeschikt waren. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek niet per definitie onzorgvuldig is, zeker gezien de COVID-19 omstandigheden en de beschikbaarheid van medische informatie. De verzekeringsarts had de beperkingen zorgvuldig gemotiveerd en eiser had geen medische stukken overlegd die het tegendeel aannemelijk maakten.
Ook ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling vond de rechtbank dat de functies binnen de belastbaarheid van eiser lagen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering is ongegrond verklaard.