ECLI:NL:RBMNE:2021:841

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
UTR 20/3144
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 WwmArt. 50a RwmArt. 28 lid 3 WwmArt. 104 GrondwetArt. 1 Eerste Protocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid heffing leges voor verlenging wapenverlof

Eiseres maakte bezwaar tegen de heffing van een onkostenvergoeding van € 60,- door de korpschef voor de verlenging van haar wapenverlof. Zij stelde dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het heffen van leges bij verlenging en dat de hoogte en berekening van de leges onduidelijk en onevenredig zijn. Tevens voerde zij aan dat het verlengen van het verlof een aanspraak is en dat de leges feitelijk een belemmering vormen voor het uitoefenen van de schietsport.

De rechtbank oordeelde dat de heffing van leges voortvloeit uit artikel 41 van Pro de Wet wapens en munitie en artikel 50a van de Regeling wapens en munitie, waarin de onkostenvergoeding voor verlenging van het wapenverlof is geregeld. De korpschef heeft deze wet- en regelgeving correct toegepast. De rechtbank verwierp het betoog dat verlenging niet onder artikel 41 Wwm Pro valt en volgde de uitleg van verweerder dat het jaarlijkse verlengen van het verlof noodzakelijk is om de veiligheid te waarborgen.

Verder stelde de rechtbank vast dat de berekening van de leges voldoende is toegelicht en niet onredelijk hoog is vastgesteld. De stelling dat het verlengen een vorm van handhaving is waarover geen leges geheven mogen worden, werd eveneens verworpen. Het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in het besluit werd gepasseerd omdat eiseres tijdig beroep had ingesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de heffing van leges voor verlenging van het wapenverlof is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3144
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: R.J.F. van den Wijngaard)
en
De Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. Kamminga).

Waarover gaat deze zaak?

Bij besluit van 16 juli 2019 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de regionale eenheid Midden-Nederland op grond van artikel 50a van de Regeling wapens en munitie (Rwm) aan eiseres een onkostenvergoeding opgelegd van € 60,- in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van haar wapenverlof.
Eisers is het hiermee niet eens en zij heeft administratief beroep ingesteld.
Bij besluit van 20 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-verbinding plaatsgevonden op 11 januari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Wat is het standpunt van verweerder?

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de wettelijke grondslag voor het heffen van de onkostenvergoeding (ook wel ‘leges’ genoemd) is gelegen in artikel 41 van Pro de Wet wapens en munitie (Wwm). De wettelijke grondslag is dus neergelegd in een wet in formele zin en nader uitgewerkt in een ministeriële regeling, de Regeling wapens en munitie (Rwm). De gevraagde leges vloeien voort uit deze wet- en regelgeving, die door de korpschef ook op de juiste wijze is toegepast. Verweerder ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen individuele gronden waaruit naar voren komt dat de korpschef het verkeerde bedrag aan leges heeft gevraagd.

Wat is het standpunt van eiseres?

2. Eiseres betwist dat er een wettelijke grond is voor het heffen van leges voor het verlengen van een wapenverlof. Verlenging staat niet genoemd in artikel 41 van Pro de Wwm. Het heffen van leges voor activiteiten anders dan genoemd in de wet is in strijd met artikel 104 van Pro de Grondwet en artikel 1 van Pro het eerste Protocol. Verder is de berekening van de hoogte van de leges niet goed vastgelegd. Het rapport leges korpschef taken 2017 is niet publiek inzichtelijk en vertoont gebreken en hiaten. De genoemde cijfers zijn onvoldoende gespecificeerd of onderbouwd. Er worden diensten aan eiseres doorberekend die niet in haar belang zijn en de leges zijn ook te hoog voor de verleende diensten. Feitelijk worden toezicht en handhaving aan eisers doorbrekend. Eiseres wordt hierdoor onevenredig zwaar belast in de uitoefening van haar wettelijk recht. Verder stelt eiseres dat het besluit is gebaseerd op een onjuiste grondslag, nu het hebben van een verlof in de wet is geformuleerd als een aanspraak. Eiseres en andere verlofhouders zien zich geconfronteerd met bijkomende kosten veroorzaakt door de overheid. Zij worden als enige doelgroep door verweerder belast met kostendekkende leges. Het lijkt erop dat de maatregelen een ander doel dienen dan verweerder voordoet, namelijk het onmogelijk maken van de schietsport. Opmerkelijk is het uitgangspunt dat een verlof of jachtakte na een jaar rechtens komt te vervallen en dat elke aanvraag voor verlenging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat voor sportschutters jaarlijks verlenging van de vergunning moet plaatsvinden komt voort uit de eis dat deze minimaal 18 keer per jaar aan een schietoefening moeten deelnemen. Deze eis is dus gesteld om te toetsen of iemand nog steeds een actief schutter is. Hiermee is de verlenging van een verlof in feite een vorm van handhaving, waarover geen leges geheven mogen worden. Het besluit tot het heffen van leges is dus onrechtmatig.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

3. In artikel 41 van Pro de Wwm staat dat de minister regels geeft met betrekking tot het bedrag dat is verschuldigd bij de aanvraag op grond van deze wet van een erkenning, een ontheffing, een consent, een vergunning, een verlof, een Europese vuurwapenpas en een controle als bedoeld in artikel 43. Het bedrag is verschuldigd aan het Rijk indien de aanvraag wordt ingediend bij Onze Minister of Onze Minister van Defensie, of aan de politie indien de aanvraag bij de korpschef wordt ingediend.
4. De hiervoor genoemde regels zijn neergelegd in de Rwm. In artikel 50a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rwm staat de hoogte van de onkostenvergoeding vermeld, als bedoeld in artikel 41 van Pro de wet, die is verschuldigd voor de verlenging van de geldigheidsduur van een verlof tot het voorhanden hebben, dragen of verkrijgen van een wapen als bedoeld in de artikelen 26 tot en met 32 van de wet. Ten tijde van de aanvraag van eiseres voor verlenging van de geldigheidsduur van het wapenverlof bedroeg de onkostenvergoeding € 60,-.
5. In artikel 28, derde lid, van de Wwm staat dat een verlof een geldigheidsduur heeft van een jaar en verlengd kán worden als aan de vereisten voor verlening daarvan nog wordt voldaan.
6. De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde artikelen blijkt dat de leges die eiseres moest betalen voor het verlengen van de geldigheidsduur van haar wapenverlof voortvloeien uit de wet- en regelgeving. Het gaat om een aanvraag tot verlenging van een vergunning en de rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat dit niet onder artikel 41 van Pro de Wwm zou vallen. De korpschef heeft de genoemde wet- en regelgeving ook op juiste wijze toegepast. In het bestreden besluit heeft verweerder uitgebreid toegelicht waar de kosten op zijn gebaseerd en hoe de berekening is gemaakt. De rechtbank ziet niet in dat de leges te hoog of onevenredig zijn vastgesteld. Verweerder heeft voorts toegelicht dat de Rwm tot stand is gekomen op basis van politieke keuzes en heeft daarbij de achtergrond en aanleiding van de Rwm toegelicht. Wat eiseres naar voren heeft gebracht is onvoldoende om te concluderen dat de Rwm niet rechtsgeldig zou zijn of anderszins buiten toepassing zou moeten blijven. Verweerder is verder in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan op de argumenten die eiseres naar voren heeft gebracht in haar administratief beroep en heeft deze ook betrokken bij het besluit. In beroep heeft eiseres deze argumenten grotendeels herhaald en de rechtbank acht de reactie van verweerder hierop zorgvuldig en voldoende. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar stelling dat het hebben van een verlof in de wet is geformuleerd als een aanspraak. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat vuurwapens in principe verboden zijn en dat het legale bezit ervan is onderworpen aan een vergunningplicht, waarbij steeds opnieuw beoordeeld wordt of iemand (nog) geschikt is. Uit de wet volgt dat een verlofhouder jaarlijks moet vragen om verlenging. Verweerder heeft in het besluit uitgebreid toegelicht wat de reden voor invoering van dit systeem is geweest, namelijk - kort gezegd - het borgen van de veiligheid in de samenleving, waarbij ook een actievere rol wordt toegedicht aan de verlofhouder. Eén van de elementen hierbij is dat jaarlijks wordt getoetst of de verlofhouder voldoet aan de voorwaarden van het verlof. Dit valt niet onder toezicht of handhaving zoals eiseres stelt. Ook wat eiseres verder heeft aangevoerd, bijvoorbeeld dat verweerder het beoefenen van schietsport feitelijk onmogelijk wil maken, volgt de rechtbank niet. Dat de wetgever in de loop der tijd de regelgeving heeft aangescherpt en dat dit voor eiseres voelt als een beperking in de uitoefening van haar sport moge zo zijn, maar verweerder heeft uitgebreid gemotiveerd waarom dit is gedaan en de rechtbank kan die redenering ook volgen. De beroepsgronden slagen niet.
7. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat zij bij het betalen van de leges niet is gewezen op de mogelijkheid van (administratief) beroep. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat op grond van artikel 3:45 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een rechtsmiddelenclausule vermeld moet worden in een besluit en dat deze in het besluit van de korpschef ontbrak. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres niet in haar belangen is geschaad, omdat zij tijdig administratief beroep heeft ingesteld. De rechtbank passeert daarom het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. De stelling van eiseres dat het ook in andere gevallen niet goed is gegaan, omdat mensen niet wisten dat ze juridische stappen konden nemen tegen de oplegging van de leges, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat dit buiten de omvang van dit geding valt.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.