ECLI:NL:RBMNE:2021:845

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 maart 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
514658 HA RK 20-325
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek ongegrond verklaard wegens ontbreken van vooringenomenheid rechter

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij zijn familierechtelijke procedure. Verzoeker stelde dat de rechter partijdig was omdat zij volgens hem was vergeten of geweigerd een beslissing te nemen over de verdeling van de feestdagen tussen hem en de moeder van hun kind. Hij meende dat dit uitstel in het voordeel van de moeder werkte.

De rechter heeft in haar verweer toegelicht dat ouders tijdens een eerdere zitting hadden ingestemd met een doorverwijzing naar het Uniforme Hulpaanbod en dat er een voorlopige zorgregeling was getroffen. De beslissing over vakantie- en feestdagen was bewust aangehouden in afwachting van de uitkomsten van het ouderbemiddelingstraject. Dit uitstel betreft een procesbeslissing en betekent niet dat de rechter vooringenomen is.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de criteria uit artikel 36 Rv Pro en het beginsel van onpartijdigheid. Uit het dossier en de schriftelijke stukken bleek dat de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd was. Er was geen aanwijzing dat de rechterlijke onpartijdigheid schade had geleden. Daarom is het wrakingsverzoek ongegrond verklaard.

De zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 514658 HA RK 20-325
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
2 maart 2021
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoeker).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 september 2020;
  • de beschikking van 17 september 2020;
  • het verzoek tot wraking van mr. G.L.M. Urbanus (hierna: de rechter) van verzoeker van 18 december 2020;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 15 januari 2021;
  • het verzoek tot wraking van de wrakingskamer van verzoeker van 4 februari 2021;
  • de beslissing tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in het verzoek van 4 februari 2021 van de wrakingskamer van 9 februari 2021.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 16 februari 2021 met gesloten deuren behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
1.3.
Bij de mondelinge behandeling is niemand verschenen.

2.Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter in de zaak met het kenmerk C/16/505797 / FO RK 20-773.
2.2.
Verzoeker heeft in zijn e-mail van 18 december 2020 onder het kopje “wrakingsgrond” aangevoerd dat de rechter partijdig is, omdat zij eerder is vergeten en later heeft geweigerd een uitspraak te doen over de verdeling van de feestdagen tussen vader (verzoeker) en moeder voor hun kind. Hiermee kiest de rechter partij voor de moeder. Het niet nemen van een beslissing heeft namelijk tot gevolg dat het kind de feestdagen bij moeder zal doorbrengen.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft zij naar voren gebracht dat ouders op de zitting van 3 september 2020 hebben ingestemd met een doorverwijzing in het kader van het Uniforme Hulpaanbod en dat de advocaat van verzoeker toen, na onderbreking van de zitting, een voorstel heeft gedaan voor een voorlopige zorgregeling. De advocaat heeft geen voorstel gedaan voor een (voorlopige) verdeling van vakantie- en feestdagen. Bij de beschikking van 17 september 2020 is een voorlopige zorgregeling getroffen en deze geldt totdat ouders in de ouderschapsbemiddeling samen een andere regeling afspreken of totdat de rechter een andere regeling vaststelt. De rechter heeft vervolgens alle verdere beslissingen (dus ook die over de vakantie- en feestdagen) uitgesteld in afwachting van de resultaten van het ouderbemiddelingstraject, zoals onder 4.4. in het dictum van de beschikking is opgenomen. Zij is zodoende niet vergeten een beslissing over de feestdagen te nemen.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer leidt uit het proces-verbaal van de zitting, de beschikking die daarop is gevolgd en de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek af dat het feitelijk onjuist is dat de rechter zou hebben vergeten of geweigerd een beslissing te nemen over de verdeling van de feestdagen. De rechter heeft besloten dit deel van het verzoek aan te houden en dus komt de behandeling van dit verzoek zo nodig op een ander moment nog aan de orde. Die beslissing van de rechter betreft een procesbeslissing en procesbeslissingen zijn in beginsel geen grond voor wraking. Dit is uitsluitend anders als de beslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Van enige vooringenomenheid is de wrakingskamer in dit geval echter niet gebleken.
3.4.
Aldus leveren de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen deze derhalve geen grond voor wraking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team familierecht, waarin de rechter werkzaam is en aan de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de zaak van verzoeker met het kenmerk C/16/505797 / FO RK 20-773 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.M. Spelt, voorzitter, mr. R.M. Berendsen en
mr. A.M. Crouwel als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.
de griffier is buiten staat de rechter
deze beslissing mee te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.