ECLI:NL:RBMNE:2021:959

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2021
Publicatiedatum
10 maart 2021
Zaaknummer
UTR 21/ 591
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij sluiting bedrijfspand

Verzoeker heeft tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Woerden om een bedrijfspand voor twaalf maanden te sluiten een voorlopige voorziening gevraagd. Dit verzoek is afgewezen omdat de voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.

Verzoeker stelde dat de dubbele huurlasten en de gevolgen van de Covid-19 pandemie een spoedeisend belang vormden. Echter, de voorzieningenrechter overwoog dat bij een louter financieel belang doorgaans geen onverwijlde spoed aanwezig is, omdat het bedrag later kan worden teruggevorderd en er geen onomkeerbare situatie of acute financiële nood is aangetoond.

Ook was niet gebleken dat verzoeker geen financiële buffer heeft of niet in staat is tijdelijk geld te lenen. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat de voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/591

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. T.S. van der Horst),
en

de burgemeester van de gemeente Woerden, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten het bedrijfspand op het adres [adres 1] (het bedrijfspand) te [woonplaats] voor de duur van twaalf maanden te sluiten.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer UTR 20/3060. Bij uitspraak van 1 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.
Bij besluit van 11 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en bepaald dat als ingangsdatum voor de sluiting van het bedrijfspand geldt: 14 juli 2020.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
4. Verzoeker heeft over het spoedeisend belang aangevoerd dat dit met name van financiële aard is. Het door hem gehuurde bedrijfspand is gesloten voor de duur van twaalf maanden. De sluitingsperiode loopt vanaf 14 juli 2020 tot 14 juli 2021. Om ook tijdens de sluitingsperiode in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien heeft verzoeker per 1 oktober 2020 bedrijfsruimte gehuurd aan de [adres 2] te [woonplaats]. Op dit moment is verzoeker gehouden om voor de twee genoemde bedrijfsruimtes huurpenningen te voldoen. Verzoeker heeft dus dubbele lasten, namelijk de maandelijkse huurpenningen ter hoogte van € 4.838,57 ([adres 1]) en € 1.350,00 ([adres 2]). Het voldoen van deze dubbele huurpenningen is op ieder moment en voor iedere ondernemer zeer ingrijpend en de financiële situatie, en daarmee ook de belangen, wordt voor verzoeker steeds nijpender. Ook verzoeker wordt getroffen door de huidige Covid-19 pandemie en ziet zijn omzet sterk dalen. Verzoeker richt zich met zijn onderneming voor wat betreft de afzetmarkt met name op de (grotere) horeca en in die sector wordt vrijwel niet meer geïnvesteerd. Verzoeker heeft in dit kader de huurovereenkomsten van beide bedrijfsruimtes overgelegd alsmede afschriften waaruit blijkt dat verzoeker thans ook werkelijk de maandelijkse huurpenningen voor beide bedrijfsruimtes voldoet.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat bij een louter financieel belang, zoals in deze zaak, niet snel sprake zal zijn van de vereiste “onverwijlde spoed”. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waar het belang op ziet, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoeker dit onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe is van belang dat van een onomkeerbare situatie of financiële nood bij verzoeker niet is gebleken. Verzoeker heeft slechts verwezen naar een aantal overschrijvingen waaruit afschrijvingen van de huurpenningen blijken, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat verzoeker in financiële nood komt en/of dat de continuïteit van het bedrijf in het gedrang is. Verzoeker heeft verder ook geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij geen financiële buffer heeft of dat hij niet in staat is om (tijdelijk) een geldbedrag te lenen.
7. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van verweerder “evident onrechtmatig” is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake.
8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 9 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.