Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Rekestnummer: 20/2308
[veroordeelde] ,
verklaart het bezwaarschrift gegrond;
beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Rechtbank Midden-Nederland
Veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel in de DNA-databank op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De rechtbank heeft het bezwaarschrift behandeld in raadkamer en heeft daarbij het dossier van de strafzaak en de argumenten van partijen betrokken.
De raadsman voerde aan dat het bevel tot DNA-afname pas tien jaar na de veroordeling was gegeven, waardoor het niet tijdig was en het DNA-profiel geen betekenis zou hebben voor toekomstige opsporing of vervolging. Ook werd gewezen op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, die sinds de veroordeling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en geen recidivegevaar vormt.
De officier van justitie erkende dat het bevel niet tijdig was gegeven en stelde zich op het standpunt dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moest worden. De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingen in artikel 2 van Pro de Wet van toepassing zijn en dat het bevel tot afname niet tijdig was gegeven. Gelet op het ontbreken van nieuwe veroordelingen en de gewijzigde omstandigheden werd het bezwaarschrift gegrond verklaard en werd de vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd.