ECLI:NL:RBMNE:2021:981

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 januari 2021
Publicatiedatum
11 maart 2021
Zaaknummer
RK 20/2308
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 onder a en b Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen DNA-afname gegrond wegens niet tijdig bevel en gewijzigde omstandigheden

Veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel in de DNA-databank op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De rechtbank heeft het bezwaarschrift behandeld in raadkamer en heeft daarbij het dossier van de strafzaak en de argumenten van partijen betrokken.

De raadsman voerde aan dat het bevel tot DNA-afname pas tien jaar na de veroordeling was gegeven, waardoor het niet tijdig was en het DNA-profiel geen betekenis zou hebben voor toekomstige opsporing of vervolging. Ook werd gewezen op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, die sinds de veroordeling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en geen recidivegevaar vormt.

De officier van justitie erkende dat het bevel niet tijdig was gegeven en stelde zich op het standpunt dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moest worden. De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingen in artikel 2 van Pro de Wet van toepassing zijn en dat het bevel tot afname niet tijdig was gegeven. Gelet op het ontbreken van nieuwe veroordelingen en de gewijzigde omstandigheden werd het bezwaarschrift gegrond verklaard en werd de vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/048601-09
Rekestnummer: 20/2308
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer, op het op 6 november 2020 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift op de voet van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna te noemen: de Wet), van

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
domicilie kiezende ten kantore van diens raadsman, mr. T.S. Van der Horst, advocaat te Utrecht,
(hierna te noemen: veroordeelde).
Het bezwaarschrift is in raadkamer met gesloten deuren behandeld op 22 december 2020.
Gehoord zijn de officier van justitie, veroordeelde en diens raadsman.
Veroordeelde maakt bezwaar tegen het bepalen van zijn DNA-profiel en de verwerking daarvan in een DNA-databank.
De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen veroordeelde als verdachte (met bovenvermeld parketnummer) en van voornoemd bezwaarschrift.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. op 12 januari 2010 is veroordeelde door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld ter zake van mishandeling tot een werkstraf voor de duur van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
2. op 24 februari 2020 is door de officier van justitie een bevel tot afname van DNA-materiaal gegeven;
3. op 27 oktober 2020 is bij veroordeelde celmateriaal afgenomen.
Overwegingen
Maatstaf bij de beoordeling van het bezwaarschrift is of in het onderhavige geval sprake is van een uitzondering als omschreven in artikel 2, lid 1, onder a en b, van de Wet, namelijk (onder a) dat reeds een DNA-profiel van deze persoon is verwerkt, dan wel (onder b) dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens veroordeelde heeft de raadsman aangevoerd dat het bevel ex artikel 2 van Pro de Wet niet gegeven had mogen worden. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde zal niet van betekenis kunnen zijn voor de toekomstige voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, gelet op de aard en bijzondere omstandigheden van het misdrijf. Het bevel is immers pas tien jaar na de veroordeling afgegeven. Sindsdien is veroordeelde niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie, waardoor er sprake is van een gering recidivegevaar. Opname van het DNA-profiel in de databank doet ook geen recht aan de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van veroordeelde. Ten tijde van de veroordeling was er immers sprake van medische en psychische problematiek, die thans al geruime tijd niet meer aan de orde is.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat, gelet op de aard van het feit en het lange tijdsverloop, blijkt van enige uitzondering krachtens de Wet, waardoor het bezwaarschrift derhalve gegrond moet worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen van de kant van veroordeelde is aangevoerd, tot de conclusie leidt dat in dit geval sprake is van een van de uitzonderingen waarop in artikel 2 van Pro de Wet bij veroordeelden wordt gedoeld, en overweegt daartoe in het bijzonder dat het bevel tot afname van DNA-materiaal niet tijdig is gegeven. De rechtbank weegt ook mee dat veroordeelde sindsdien niet meer is veroordeeld voor strafbare feiten en zijn leven op orde heeft. Het bezwaarschrift zal dan ook gegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het bezwaarschrift gegrond;
-
beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 5 januari 2021 door mr. G. Schnitzler, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Steijns, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.