ECLI:NL:RBMNE:2021:984
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
De zaak betreft een beroepsprocedure tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning aan een adres in een plaats, vastgesteld op €349.000 voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. De heffingsambtenaar van de gemeente had deze waarde vastgesteld en een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. Eiser was het niet eens met deze waarde en stelde beroep in nadat het bezwaar ongegrond was verklaard.
Tijdens de zitting, gehouden op 8 februari 2021 via Skype, heeft de rechtbank de argumenten van partijen aangehoord. Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix en drie referentiewoningen, waarbij verschillen in bouwlagen en kavelgrootte waren meegewogen. De rechtbank achtte deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vond de vastgestelde WOZ-waarde aannemelijk.
Eiser had een eigen taxatierapport overgelegd met een lagere waarde van €250.000, maar de rechtbank vond dit rapport minder geschikt omdat het niet volgens de Wet WOZ-criteria was opgesteld en referentiewoningen van een andere bouwperiode betrof. Ook was vermoedelijk de grondwaarde niet conform de Wet WOZ meegeteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de vastgestelde WOZ-waarde van €349.000. Verweerder werd ter zitting gehouden het betaalde griffierecht te vergoeden. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €349.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.