Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over
3.De beoordeling
746,00(2 punten x tarief € 373,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een huurovereenkomst tussen eiseres, een besloten vennootschap, en gedaagde voor een woning sinds 2006. Na ontbinding van de huurovereenkomst met de voormalig partner van gedaagde, ontstond vanaf september 2020 een huurachterstand die tot februari 2022 opliep tot €15.446,25. Gedaagde erkende de achterstand en deed deels betalingen, waardoor de resterende schuld €13.446,25 bedroeg.
Eiseres vorderde betaling van de achterstand, ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning, betaling van toekomstige huurtermijnen en een gebruiksvergoeding. Gedaagde voerde verweer en stelde dat de achterstand het gevolg was van een relatiebreuk en de coronacrisis, en dat ontbinding niet gerechtvaardigd was.
De kantonrechter overwoog dat hoewel sprake is van een ernstige betalingsachterstand, de persoonlijke omstandigheden van gedaagde, zijn lange huurperiode, sociale binding met de buurt en het aanbod om de achterstand in te lopen, ontbinding niet rechtvaardigen. Ook de coronapandemie als oorzaak van de betalingsproblemen werd meegewogen.
De vorderingen tot ontbinding, ontruiming, toekomstige huur en gebruiksvergoeding werden afgewezen. Wel werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de resterende huurachterstand met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten exclusief btw en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter wijst ontbinding en ontruiming af maar veroordeelt gedaagde tot betaling van huurachterstand, incassokosten en proceskosten.