Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 januari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] (de maatschap), gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister), verweerder
Inleiding
Overwegingen
De maatschap vindt het onterecht dat de minister voor 2017 toetst aan de reguliere norm in plaats van de derogatienorm, want voor 2017 is wel voldaan aan de vereisten.
Volgens de maatschap is de minister bovendien uitgegaan van een te hoge beginvoorraad voor 2017. Daarbij is uitgegaan van de door de maatschap opgegeven eindvoorraad van 2016, waarvan de inspecteur in het rapport aangeeft dat dit mogelijk een fictieve opgave was. Voor de eindvoorraad van 2017 wordt de door de inspecteur op 16 februari 2018 vastgestelde daadwerkelijke voorraad gebruikt. De maatschap heeft op basis van gegevens over de bedrijfsvoering door [naam] laten doorrekenen wat in de afgelopen jaren bij benadering de daadwerkelijke voorraad is geweest, en op basis van die berekening is er geen sprake van een overschrijding. De maatschap vindt het bovendien onterecht dat voor de eindvoorraad de bij bemonstering in 2017 gemeten gehaltes worden gehanteerd, terwijl voor de beginvoorraad hogere forfaitaire gehaltes worden gebruikt. Daardoor wordt uitgegaan van een te groot verschil tussen beginvoorraad en eindvoorraad.
De minister vindt dat terecht voor 2017 aan de reguliere norm getoetst is. De maatschap voldoet namelijk niet aan de vereisten voor het toepassen van de derogatienorm, omdat de gegevens in het bemestingsplan over de gewasteelt op één perceel onjuist zijn en de gegevens over de begin- en eindvoorraad niet kloppen.
De minister stelt zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van controleerbare gegevens voor de beginvoorraad van 2017 aangesloten moet worden bij de door de maatschap opgegeven eindvoorraad van 2016. De minister wijst erop dat ervan uitgegaan moet worden dat die gegevens door de maatschap correct zijn opgegeven. De minister ziet geen reden om aan te sluiten bij de berekeningen van [naam] , omdat die zijn gebaseerd op aannames en niet-controleerbare bedrijfsgegevens. Inspecteur [C] heeft op de zitting toegelicht dat voor de beginvoorraad forfaitaire gehaltes zijn gebruikt, omdat in 2016 (in tegenstelling tot in 2017) geen monsters zijn afgenomen. Daarom moet op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet gebruik worden gemaakt van de forfaitaire gehalten.
De minister heeft terecht getoetst aan de reguliere norm. Omdat de maatschap onjuiste gegevens heeft doorgegeven, is niet aan de vereisten voor het toepassen van de hogere derogatienorm voldaan.
Voor de eindvoorraad kon de minister uitgaan van de gegevens over de hoeveelheid mest op basis van de controle door de NVWA en van de gegevens over de gehaltes op basis van de bemonstering in 2017. Voor de beginvoorraad zijn dergelijke gegevens echter niet aanwezig. De minister beschikt daarvoor enkel over de door de maatschap opgegeven eindvoorraad voor 2016.
De maatschap heeft geen controleerbare gegevens overgedragen waaruit blijkt wat de daadwerkelijke beginvoorraad was. Het ontbreken van die gegevens vloeit voort uit het ontbreken van een sluitende administratie bij de maatschap. In 2016 zijn ook geen monsters genomen waaruit de gehaltes af te leiden zijn en dus moet worden teruggevallen op de forfaitaire waarden. [naam] heeft achteraf een reconstructie gemaakt op basis van niet-controleerbare bedrijfsgegevens en de aanname dat de mestproductie en de mestafvoer van 2013 tot en met 2017 steeds stabiel zijn gebleven. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat de maatschap onvoldoende harde gegevens heeft ingediend om uit te gaan van een andere beginvoorraad voor 2017 dan de door de maatschap opgegeven eindvoorraad voor 2016.
Dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om aannemelijk te maken dat er geen overschrijding van de gebruiksnormen was, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van de maatschap. De beroepsgrond slaagt niet.