De rechtbank Midden-Nederland behandelde een strafzaak tegen een man en vrouw die verdacht werden van verduistering van een totaalbedrag van €18.125,- van hun schoonzus in de periode van februari 2015 tot november 2018. De officier van justitie stelde dat de verdachten het geld zonder toestemming van het slachtoffer onder zich hadden gehouden, terwijl de verdediging betoogde dat sprake was van giften en dat niet vaststond dat het geld wederrechtelijk was toegeëigend.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat verdachte en zijn echtgenote het slachtoffer ondersteunden na het overlijden van haar man en dat zij grote geldbedragen van haar hadden ontvangen, waarvan een deel als giften werd aangemerkt. Het dossier maakte het moeilijk om met zekerheid vast te stellen welke bedragen als giften waren gegeven en welke mogelijk zonder toestemming waren gehouden.
De rechtbank concludeerde dat er te veel twijfel bestond over de toerekening van de geldbedragen en dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de verdachten zich het geld wederrechtelijk hadden toegeëigend. Daarom sprak de rechtbank de verdachten vrij van de tenlastegelegde verduistering.
De benadeelde partij, de zoon van het slachtoffer, werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding omdat de hoofdzaak werd vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, die tot dat moment nihil waren.
Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 22 maart 2022 in Utrecht.