ECLI:NL:RBMNE:2022:1024

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
UTR 22/848 en UTR 22/849
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:86 AwbArt. 3.2 Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing urgentieverklaring woonruimte wegens motiveringsgebrek en belangen kinderen

Eiseres, afkomstig uit Suriname en met drie minderjarige kinderen, verzocht om een urgentieverklaring voor woonruimte in Hilversum nadat zij onderhuurde zonder toestemming van de verhuurder. Verweerder wees het verzoek af omdat eiseres niet aan alle randvoorwaarden uit de Huisvestingsverordening Gooi en Vechtstreek voldeed, met name het ontbreken van een economische binding met de regio.

Eiseres stelde dat zij wel aan de randvoorwaarden voldoet, onder meer door een arbeidsovereenkomst te overleggen en een beroep te doen op de hardheidsclausule vanwege de belangen van haar kinderen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht concludeerde dat niet aan alle randvoorwaarden was voldaan, maar dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was omdat de belangen van de minderjarige kinderen niet concreet waren meegewogen, in strijd met artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen twee weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de urgentieverklaring wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en onvoldoende belangenafweging van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/848 en UTR 22/849
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2022 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: mr. G. van 't Hof).

Procesverloop

In het besluit van 1 december 2021 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een urgentieverklaring voor woonruimte afgewezen.
In het besluit van 4 februari 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en heeft onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Na sluiting van het onderzoek van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
3. Eiseres is vanwege vrees voor haar ex-partner vanuit Suriname naar Nederland gekomen met haar drie kinderen van 2, 6 en 10 jaar oud. Na terugkomst in Nederland heeft zij bij een tante en vriendin gewoond, maar kon daar niet blijven. Eiseres heeft vervolgens een huurwoning via Marktplaats in Hilversum gevonden. Daar woont zij sinds 1 september 2021 samen met haar drie kinderen in onderhuur, zonder toestemming van de verhuurder. De verhuurder wil dat eiseres deze woning verlaat en heeft haar aangemaand om de woning uiterlijk op 31 maart 2022 te verlaten.
4. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om een urgentieverklaring afgewezen, omdat zij niet voldoet aan alle randvoorwaarden in artikel 3.2 van de Huisvestings-verordening Gooi en Vechtstreek (Huisvestingsverordening). Er wordt daarom niet toegekomen aan een toets aan de overige voorwaarden die volgen uit de Huisvestings-verordening. Tot slot is volgens verweerder in de situatie van eiseres geen aanleiding om de hardheidsclausule uit artikel 4.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening toe te passen.
5. Eiseres voert aan dat zij wel voldoet aan alle randvoorwaarden. Ter onderbouwing van het standpunt dat eiseres economische binding heeft in de regio, heeft ze in beroep een arbeidsovereenkomst voor de functie verkoopmedewerker bij de [bedrijf] in Hilversum overgelegd. Eiseres voert verder aan dat zij een geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule. Zij wijst daarbij op de belangen van haar drie minderjarige kinderen. De kinderen zullen met haar vanaf 1 april 2022 dakloos worden, omdat er geen opvangmogelijkheden zijn. Verweerder had op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de belangen van de kinderen moeten betrekken bij het besluit.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat aan randvoorwaarde 6 van artikel 3.2 van de Huisvestingsverordening niet is voldaan. Op grond van deze randvoorwaarde moet de aanvrager een maatschappelijke en/of economische binding hebben aan een gemeente in de regio Gooi en Vechtstreek. Eiseres woont sinds september 2021 in Hilversum en niet is gebleken dat zij daar of elders in de regio een maatschappelijke binding heeft. Dat de kinderen in Hilversum naar school gaan is daarvoor onvoldoende. Eiseres heeft verder de arbeidsovereenkomst bij de [bedrijf] in Hilversum pas in beroep overgelegd, waardoor verweerder hiermee in het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden. De voorzieningenrechter volgt niet dat sprake is van een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Eiseres heeft in de bezwaarprocedure alleen verklaard dat zij aan het solliciteren was, maar heeft daarbij niet concreet aangegeven dat er zicht was op een baan. Daarbij is verder van belang dat de arbeidsovereenkomst van eiseres is ondertekend op 31 januari 2022 en een ingangsdatum heeft van 2 februari 2022 en het dus dateert van vóór het bestreden besluit. Eiseres had de arbeidsovereenkomst dus eerder kunnen en moeten overleggen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook mogen concluderen dat niet is gebleken dat eiseres economische binding heeft met de regio. Omdat aan in ieder geval één randvoorwaarde niet is voldaan, heeft verweerder het verzoek om een urgentieverklaring mogen afwijzen.
7. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder op grond van de hardheidsclausule in artikel 4.2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening kan afwijken van de regels voor urgentie als strikte toepassing daarvan zou leiden tot niet gerechtvaardigde hardheid. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat in het bestreden besluit in dit kader rekening is gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van eiseres, omdat daarin is overwogen dat vanaf het moment dat eiseres haar woning moet verlaten de gemeente aan haar zorgplicht op grond van de Wet Maatschappelijke Opvang - bedoeld is: Ondersteuning (de Wmo) - zal dienen te voldoen.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de belangen van de minderjarige kinderen niet kenbaar heeft betrokken. Verweerder heeft slechts in zijn algemeenheid verwezen naar de zorgplicht die volgt uit de Wmo, maar daarbij niet betrokken wat dit concreet betekent voor de minderjarige kinderen wanneer zij hun huidige woonadres moeten verlaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had op grond van artikel 3 van Pro het IVRK van verweerder verwacht mogen worden dat gemotiveerd een afweging was gemaakt tussen de belangen van de drie minderjarige kinderen van eiseres en het belang dat de voorwaarden voor het verkrijgen van een urgentieverklaring in de Huisvestingsverordening beogen te beschermen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust het in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb niet op een deugdelijke motivering.
9. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder bij het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule een discretionaire bevoegdheid heeft. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van twee weken.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoeden.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiseres vanwege het beroep gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,-.
12. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om, in afwachting van een nieuw besluit van verweerder, de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het is aan verweerder om een nadere afweging te maken omtrent de toepassing van de hardheidsclausule. Het is daarnaast aan de civiele rechter om te oordelen over een eventuele ontruimingsprocedure. Ten aanzien van de tweede aanvraag van eiseres om een urgentieverlening van 28 februari 2022 overweegt de voorzieningenrechter dat dit een andere procedure betreft waarbij connexiteit met een rechtsmiddel en de onderhavige procedure ontbreekt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen gelet op het voorgaande af.
13. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.
14. Eiseres heeft tot slot op de dag van de zitting gesteld dat sprake is van betalingsonmacht voor het betalen van het griffierecht. De voorzieningenrechter overweegt dat het griffierecht al door eiseres is betaald en haar gestelde betalingsonmacht niet heeft onderbouwd. Het verzoek achteraf om vrijstelling voor het betalen is te laat ingediend om alsnog die onmacht te onderbouwen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
15. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2022 door mr. M.P. Glerum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.
De griffier is verhinderd De voorzieningenrechter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen. om de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.