In deze civiele zaak stond centraal of de gedaagde een contractuele boete van €25.000,- verschuldigd was aan eiser wegens het uitvoeren van werkzaamheden voor een klant na de verkoop van de onderneming. De rechtbank heeft het bewijs van gedaagde beoordeeld dat er een mondelinge afspraak bestond die het concurrentiebeding in de overeenkomst beperkte voor het onderhanden werk bij die klant.
De rechtbank nam getuigenverklaringen van gedaagde, zijn echtgenote en zijn boekhouder mee, die gezamenlijk bevestigden dat tijdens de ondertekening van de overeenkomst op 28 december 2018 mondeling was afgesproken dat het werk voor de klant was uitgezonderd van het concurrentiebeding. De verklaringen van eiser en zijn getuigen boden onvoldoende tegenbewijs.
De rechtbank concludeerde dat gedaagde het bewijs had geleverd en daardoor het concurrentiebeding niet had overtreden. De vorderingen van eiser werden afgewezen en beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. J.R. Hurenkamp op 30 maart 2022.