ECLI:NL:RBMNE:2022:1100

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2022
Publicatiedatum
24 maart 2022
Zaaknummer
9677151 MV EXPL 22-24 PM/45352
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 444 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens ernstige vervuiling, overlast en brandgevaar

Sinds 2005 huurt de onderbewindgestelde een woning van de Alliantie, die door ernstige vervuiling, brandgevaarlijke situaties en overlast is gekenmerkt. De Alliantie vordert ontruiming van de woning omdat de huurder zich niet als goed huurder heeft gedragen en de situatie onhoudbaar is geworden.

De kantonrechter stelt vast dat de overlast en vervuiling voldoende aannemelijk zijn en dat het spoedeisend belang aanwezig is. Hoewel een deel van de overlast door een ex-vriend is veroorzaakt, blijft de huurder verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast en gevaarlijke situaties.

De kantonrechter oordeelt dat de ernstige tekortkomingen rechtvaardigen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat de belangenafweging in het voordeel van de Alliantie uitvalt. De ontruiming wordt toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening, met mogelijkheid tot inschakeling van een deurwaarder. De bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en ontruimingskosten.

Uitkomst: De bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen vanwege ernstige vervuiling, overlast en brandgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 9677151 MV EXPL 22-24 PM/45352
Kort geding vonnis van 25 maart 2022
inzake
de stichting
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd te Hilversum,
verder ook te noemen Alliantie,
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.B. Blomberg,
tegen:
[gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde],
wonende te gemeente [gemeente] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. J.J. Weldam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, met producties, van 17 februari 2022;
  • de aanvullende producties 31 t/m 34 van Alliantie;
  • de pleitnota van Alliantie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft via een MS Teamsverbinding plaatsgevonden. Namens Alliantie was mevrouw [A] ( [functie] ) aanwezig, vergezeld van de gemachtigde. [gedaagde] was aanwezig met zijn gemachtigde. Ook mevrouw [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) was erbij met een begeleider van haar tijdelijke woonplek.

2.Het geschil en de beoordeling

Wat is er aan de hand?
2.1.
Sinds 25 oktober 2005 huurt [onderbewindgestelde] de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] van Alliantie. De afgelopen jaren heeft [onderbewindgestelde] de woning meermaals laten vervuilen. Ook op dit moment is de woning van [onderbewindgestelde] zeer vervuild en staat de woning vol met spullen. Daarnaast heeft [onderbewindgestelde] een brandgevaarlijke situatie laten ontstaan door op de houten ondervloer in de woonkamer vuurtjes te (laten) stoken. De woning zal eerst professioneel moeten worden gereinigd en (brand)veilig moet worden gemaakt voordat de woning weer bewoonbaar is. Bovendien is sprake geweest van ernstige geluidoverlast door [onderbewindgestelde] . De overlast bestond uit het draaien van harde muziek, (dronken) geschreeuw van de ex-vriend van [onderbewindgestelde] (hierna: [B] ) en gegil van [onderbewindgestelde] .
2.2.
Alliantie vordert daarom dat [gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] , wordt veroordeeld om de woonruimte aan de [adres] te [plaatsnaam] te ontruimen en ter algemene beschikking van Alliantie te stellen, zo nodig met behulp van de deurwaarder.
2.3.
De kantonrechter ziet in de omstandigheden die Alliantie naar voren heeft gebracht voldoende spoedeisend belang.
2.4.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn geworden en dat het in voldoende mate waarschijnlijk is dat eenzelfde vordering ook zal worden toegewezen in een nog aanhangig te maken bodemprocedure, waarbij de rechter de bij het geding betrokken belangen van partijen moeten afwegen.
Tekortkoming
2.5.
[gedaagde] heeft de overlast in en rondom de woning van [onderbewindgestelde] niet betwist. Hij heeft aangevoerd dat niet [onderbewindgestelde] , maar [B] hieraan schuld heeft en dat die niet meer terug zal keren in de woning.
2.6.
Hoewel de kantonrechter begrijpt dat (een deel van) de overlast door [B] werd veroorzaakt, is [onderbewindgestelde] daar ook verantwoordelijk voor. [onderbewindgestelde] moet ervoor zorgen dat er geen overlast wordt veroorzaakt, ook niet door inwonenden of bezoekers. Het ernstig laten vervuilen van de woning en het laten ontstaan van een brandgevaar levert voor omwonenden bovendien niet alleen overlast op maar schept ook een gevaarlijke situatie. [onderbewindgestelde] heeft zich daarmee dus niet als goed huurder gedragen; er is sprake van ernstige tekortkomingen.
Ontruiming
2.7.
In beginsel kan iedere tekortkoming de ontbinding van een overeenkomst rechtvaardigen. De ernstige tekortkomingen uit het verleden kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden. Bij de vraag of de ontbinding van een overeenkomst gerechtvaardigd is, kan ook worden meegewogen in hoeverre kan worden verwacht dat [onderbewindgestelde] in de nabije toekomst als goed huurder in de woning zou kunnen wonen. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlastsituatie vanwege het vertrek van [B] niet langer zal voortduren. Volgens [gedaagde] kan [onderbewindgestelde] , na reiniging, zelfstandig (met begeleiding) als goed huurder in de woning wonen.
De kantonrechter is daar niet van overtuigd. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat de persoonlijke situatie van [onderbewindgestelde] momenteel dusdanig stabiel is dat dergelijke vormen van vervuiling, overlast en brandgevaar zich niet opnieuw zullen voordoen. De kantonrechter weegt mee dat [onderbewindgestelde] door de jaren heen verschillende vormen van begeleiding heeft gekregen en dat die hulp de overlast, het brandgevaar en de vervuiling van de woning niet heeft kunnen voorkomen. [onderbewindgestelde] heeft de begeleiders ook niet altijd binnengelaten en heeft zich periodes aan de zorg onttrokken. Uit de brief van [instelling] (productie 34 van Alliantie) blijkt dat de begeleiding niet heeft geleid tot aantoonbare verbetering in de zelfredzaamheid en zelfstandigheid van [onderbewindgestelde] . [gedaagde] en [onderbewindgestelde] hebben op de zitting bevestigd dat [onderbewindgestelde] in het verleden vaker last heeft gehad van verzamelwoede. De aanwezigheid van [B] zal zonder meer een negatieve invloed hebben gehad op [onderbewindgestelde] en de overlast, maar gelet op de brief van [instelling] zijn er ook zonder [B] grote zorgen over de zelfredzaamheid van [onderbewindgestelde] (zoals het innemen van medicatie, zich verschonen en voldoende en gezond eten). [onderbewindgestelde] beschikt inmiddels ook over een WLZ-indicatie en daarmee heeft zij recht op een beschermde woonvoorziening met intensieve begeleiding en verzorging.
Onder die omstandigheden kan niet van Alliantie – die al veel inspanningen heeft verricht en ook voor de veiligheid en het woongenot van haar andere huurders heeft te zorgen – worden verwacht dat zij [onderbewindgestelde] nog langer in het genot van het gehuurde laat. De kantonrechter is van oordeel dat de ernstige tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomst in dit geval kunnen rechtvaardigen en dat een belangenafweging ook in het voordeel van de Alliantie moet uitvallen.
Conclusie
2.8.
De gevorderde ontruiming is toewijsbaar. De termijn van de ontruiming zal worden bepaald op de gebruikelijke veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.9.
Als [gedaagde] niet zelf tot ontruiming van de woning van [onderbewindgestelde] overgaat, kan de ontruiming zo nodig door de deurwaarder worden bewerkstelligd, conform artikel 555 en Pro verder in verbinding met artikel 444 Rechtsvordering Pro (Rv). In dat geval dienen de kosten voor de gerechtelijke ontruiming door [gedaagde] aan Alliantie vergoed te worden.
Proceskosten
2.10.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Alliantie worden begroot op:
- dagvaarding € 133,57
- griffierecht € 128,00
- salaris gemachtigde
€ 498,00
Totaal € 759,57
De gevorderde nakosten zijn ook toewijsbaar en zullen onder de beslissing worden begroot. De wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal als hierna vermeld worden toegewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] , de woonruimte aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaatsnaam] met aan- en toebehoren, dus met inbegrip van de eventueel bij de woning behorende berging en tuin, met al het hare binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en de woning met aan- en toebehoren ter vrije beschikking van Alliantie te stellen, onder afgifte van de sleutels, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder kan worden bewerkstelligd;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] , indien hij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling voldoet en Alliantie de ontruiming zelf bewerkstelligt door inschakeling van een gerechtsdeurwaarder, aan Alliantie de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van de kosten in het proces-verbaal van ontruiming;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] , tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Alliantie, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 759,57, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] , in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [onderbewindgestelde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Alliantie volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
  • € 124,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,
  • te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.