Eiser diende op 1 september 2021 een Wob-verzoek in bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Verweerder moest binnen vier weken beslissen, maar verlengde deze termijn met vier weken, waardoor uiterlijk 27 oktober 2021 een besluit verwacht werd. Op die datum was nog geen besluit genomen, waarna eiser verweerder op 29 oktober 2021 in gebreke stelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Verweerder verzocht om een langere termijn vanwege de omvangrijke reikwijdte van het verzoek, de noodzaak tot beoordeling van veel documenten, het betrekken van derde belanghebbenden en interne afstemming binnen het ministerie.
De rechtbank kwalificeert deze omstandigheden als een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en stelt de nieuwe beslistermijn vast op uiterlijk 31 januari 2022. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000, en bepaalt dat verweerder het griffierecht van €181 aan eiser moet vergoeden.