ECLI:NL:RBMNE:2022:1106

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 januari 2022
Publicatiedatum
24 maart 2022
Zaaknummer
UTR 21/4565
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WobArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Wob-verzoek met verlenging termijn

Eiser diende op 1 september 2021 een Wob-verzoek in bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Verweerder moest binnen vier weken beslissen, maar verlengde deze termijn met vier weken, waardoor uiterlijk 27 oktober 2021 een besluit verwacht werd. Op die datum was nog geen besluit genomen, waarna eiser verweerder op 29 oktober 2021 in gebreke stelde.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Verweerder verzocht om een langere termijn vanwege de omvangrijke reikwijdte van het verzoek, de noodzaak tot beoordeling van veel documenten, het betrekken van derde belanghebbenden en interne afstemming binnen het ministerie.

De rechtbank kwalificeert deze omstandigheden als een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, van de Awb en stelt de nieuwe beslistermijn vast op uiterlijk 31 januari 2022. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000, en bepaalt dat verweerder het griffierecht van €181 aan eiser moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat verweerder uiterlijk 31 januari 2022 alsnog een besluit moet nemen met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4565

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van de Velde)

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 1 september 2021.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn verzoek ingediend op 1 september 2021. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op dit verzoek. Dat staat in artikel 6 van Pro de Wet openbaarheid bestuur (Wob). Verweerder heeft deze termijn bij brief van 29 september 2021, eveneens op grond van artikel 6 Wob Pro, met vier weken verlengd. Verweerder had uiterlijk op 27 oktober 2021 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op die datum nog steeds niet had beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 29 oktober 2021 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Het beroep is kennelijk gegrond.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, derde lid, van de Awb).
6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 10 december 2021 gevraagd om een langere termijn omdat de instroom van wob-verzoeken groot is. Tevens heeft het verzoek een omvangrijke reikwijdte waarbij uiteindelijk veel documenten naar voren zijn gekomen die individueel beoordeeld moeten worden. Inmiddels is de zoekslag en de beoordeling afgerond. Daarnaast zijn er derde belanghebbenden die betrokken zijn bij dit verzoek en van hen moet een zienswijze worden gevraagd. Vervolgens is nog afstemming benodigd binnen het ministerie. Verweerder geeft tot slot aan dat het besluit op dit verzoek, mede gelet op aanstaande vakantieperiode, uiterlijk 31 januari 2022 naar eiser kan worden verstuurd.
7. De rechtbank ziet in de toelichting van verweerder aanleiding een langere termijn te bepalen dan twee weken. De door verweerder genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank bepaalt dat verweerder uiterlijk op 31 januari 2022, een besluit moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb). Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed moeten worden.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 181,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 31 januari 2022 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh griffier
.De beslissing is uitgesproken op 17 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.