Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2] en
[eiseres sub 3],
1.[gedaagde sub 1] en
[gedaagde sub 2],
1.De procedure in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
- het tussenvonnis van 11 augustus 2021;
- de akte uitlating van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] c.s. van 10 november 2021 met de producties 1 t/m 8;
- de antwoordakte van [gedaagde sub 1] c.s. van 8 december 2021 met productie 26;
- de akte uitlating van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] c.s. van 22 december 2021 met productie A;
- de antwoordakte van [gedaagde sub 1] c.s. van 19 januari 2022.
2.De verdere beoordeling
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
zonderzich te vergewissen van de kadastrale erfgrens tussen beide percelen, terwijl hij over die erfgrens in onzekerheid verkeerde omdat er geen grensmarkeringen aanwezig waren. Hij stelt weliswaar dat hij in 1996, vóór het plaatsen van de erfafscheiding, naar de precieze erfgrens heeft geïnformeerd bij de gemeente [.] , maar dat is niet genoeg om uit te gaan van goede trouw. Het is immers algemeen bekend dat de kadastrale grenzen tussen percelen worden vastgelegd in de registers van het Kadaster en dat alleen het Kadaster daarover uitsluitsel kan geven. Die registratie is geen taak van de gemeente. [gedaagde sub 1] c.s. heeft zich ook niet kunnen baseren op de bouwtekening die hij destijds van de gemeente heeft ontvangen (productie 8 van [gedaagde sub 1] c.s.).
nieuweerfgrenzen, ziet volgens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] c.s. vermoedelijk op de nieuwe erfgrenzen die vastgesteld moesten worden tussen het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. en de andere percelen van het nieuwbouwproject. De uitleg die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] c.s. hebben gegeven aan die brief acht de rechtbank aannemelijk en [gedaagde sub 1] c.s. heeft de juistheid van die uitleg ook onvoldoende weersproken. Zoals eerder is overwogen stond de kadastrale grens tussen het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. en het perceel van [eiser sub 1] al vast. Het Kadaster is op 10 juli 1996 niet gekomen om die kadastrale grens vast te stellen of te reconstrueren. Uit de toen geplaatste markeringspunten heeft [gedaagde sub 1] c.s. dan ook niet kunnen en mogen afleiden waar de kadastrale grens tussen zijn perceel en het perceel van (toen nog) [eiser sub 1] lag.
alleende persoon die een zaak in bezit neem en houdt,
terwijl hij weet dat een ander daarvan eigenaar is, jegens die ander onrechtmatig handelt. Er moet sprake zijn van welbewust handelen (willens en wetens). Die bedoeling blijkt ook uit de wetsgeschiedenis, waaruit de Hoge Raad in zijn overwegingen citeert: de minister doelt op de situatie van diefstal. In die situatie bestaat voor de persoon die zijn eigendom door verkrijgende verjaring heeft verloren de mogelijkheid de verkrijger aan te spreken op grond van onrechtmatig handelen. “Wetende dat een ander daarvan eigenaar is” valt dus niet één op één samen met het ontbreken van goede trouw als bedoeld in artikel 3:118 BW Pro. Daarnaast ligt de stelplicht en de bewijslast van deze wetenschap – anders dan bij de goede trouw – bij degene die zijn eigendom door verjaring heeft verloren (vgl. Rechtbank Midden-Nederland 12 maart 2020, ELCI:NL:RBMNE:2020:966).
die specifieke strookeigendom van [eiser sub 1] was. Dat dit het geval was, blijkt nergens uit. [gedaagde sub 1] c.s. heeft uitvoerig toegelicht en onderbouwd dat hij destijds in onzekerheid verkeerde over de precieze erfgrens en dat hij moeite heeft gedaan om te achterhalen waar die grens lag, omdat hij een erfafscheiding wilde plaatsen. Daaruit blijkt nu juist dat hij de eigendom van [eiser sub 1] heeft willen respecteren. De gegeven omstandigheden wijzen er eerder op dat [gedaagde sub 1] c.s. de erfafscheiding destijds per abuis deels op het perceel van [eiser sub 1] heeft geplaatst.
voor zover nodigzal worden veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis mee te werken aan het opmaken van een notariële akte van verjaring en het inschrijven van deze akte in de openbare registers, met de daaraan verbonden dwangsom. De rechtbank vat laatstgenoemde vordering op als een vordering om [eiser sub 2] c.s. te veroordelen om op verzoek en initiatief van [gedaagde sub 1] c.s. en voor zover nodig medewerking te verlenen aan het opmaken van een notariële akte van verjaring en het inschrijven daarvan in de openbare registers.