Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[derde belanghebbende],
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres, die sinds 2017 arbeidsongeschikt is, verzocht het UWV om een loonsanctie op te leggen aan haar voormalige werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. Tevens betwistte zij de vaststelling van haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de berekening van haar dagloon.
De rechtbank overwoog dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde omdat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen had verricht, rekening houdend met de duurzame beperkingen van eiseres. Diverse deskundigenrapporten bevestigden dat de belastbaarheid van eiseres duurzaam was en dat extra inspanningen geen verbetering zouden hebben opgeleverd. Ook werd vastgesteld dat er geen passende werkplekken beschikbaar waren.
Verder werd geoordeeld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht was vastgesteld op 30 oktober 2017, ondanks het betoog van eiseres dat dit 11 december 2017 zou moeten zijn. De rechtbank vond onvoldoende medische onderbouwing voor een wijziging van deze datum.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af dat het dagloon onjuist was vastgesteld, onder meer omdat de referteperiode correct was en het Individueel Keuzebudget voor een E-bike terecht niet werd meegerekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard.