ECLI:NL:RBMNE:2022:1231

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2022
Publicatiedatum
1 april 2022
Zaaknummer
UTR 21/4211
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 lid 6 Wet WIABpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij WIA-uitkering eigenrisicodrager

Eiseres stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin werd bepaald dat zij als eigenrisicodrager verantwoordelijk zou zijn voor de WGA-schade van een werkneemster. Verweerder erkende later dat deze passage ten onrechte was opgenomen, waardoor het belang van eiseres bij het besluit kwam te vervallen.

De rechtbank behandelde het beroep op 11 maart 2022, waarbij eiseres en verweerder niet aanwezig waren. Gezien artikel 82, zesde lid, van de Wet WIA, die bepaalt dat betaling van de uitkering in dit geval niet voor risico van eiseres komt, concludeerde de rechtbank dat eiseres geen belanghebbende is en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiseres wegens de onduidelijkheid die verweerder zelf had veroorzaakt, en bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres vergoedt. De proceskosten werden vastgesteld op €759,- en het griffierecht op €360,-.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belanghebbende status.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: A. van Lieshout),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: A.P. Prinsen).

Procesverloop

In het besluit van 11 maart 2021 (primair besluit) heeft verweerder ten aanzien van een werkneemster van eiseres vastgesteld dat zij per 25 november 2020 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
In het besluit van 6 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werkneemster van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 25 november 2020 recht heeft op een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,32%. Verweerder heeft dit besluit aan eiseres toegezonden en daarbij bepaald dat de hieruit voortvloeiende WGA-schade aan eiseres als eigenrisicodrager wordt toegerekend.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 9 maart 2022 heeft verweerder meegedeeld dat de passage dat de WGA-uitkering van de betreffende werkneemster voor rekening van eiseres komt, abusievelijk in de begeleidende brief van 6 september 2021 is opgenomen.
Naar aanleiding hiervan heeft eiseres de rechtbank meegedeeld dat hiermee deels wordt voldaan aan de wensen van eiseres en dat er alleen nog onduidelijkheid bestaat over de ingangsdatum van de WIA-uitkering.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2022 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder zijn met bericht vooraf niet verschenen.

Overwegingen

1. De WIA-uitkering is aan de werkneemster toegekend in aansluiting op een Ziektewet-uitkering ten gevolge van zwangerschaps- of bevallingsklachten. Artikel 82, zesde lid, van de Wet WIA bepaalt dat de betaling van de uitkering in dit geval niet voor risico van eiseres als eigenrisicodrager komt. Verweerder heeft dat ook erkend in de brief van 9 maart 2022. Dit betekent dat eiseres geen belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit over de WIA-uitkering. De vraag over de ingangsdatum van die uitkering maakt dat niet anders. Eiseres is geen belanghebbende en haar beroep is niet-ontvankelijk.
2. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, omdat het aan verweerder te wijten is dat er onduidelijkheid is ontstaan over de toerekening van de WIA-uitkering. Dat is voor eiseres mede aanleiding geweest om beroep in te stellen.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-, met een wegingsfactor 1).
4. De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 360,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 maart 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.