Opposanten zijn in verzet gegaan tegen de uitspraak van 10 november 2021, waarin hun beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft in deze verzetprocedure beoordeeld of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was, zonder inhoudelijk op het geschil in te gaan.
Opposanten dienden stukken te laat in en maakten geen beroep op betalingsonmacht, hoewel zij aangaven onder het bestaansminimum te leven. De rechtbank oordeelde dat zonder een dergelijk beroep geen vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Het niet betalen van het griffierecht leidde daarom tot een terecht niet-ontvankelijkverklaring.
De rechtbank wees ook op het recht op toegang tot de rechter en stelde dat het heffen van griffierecht geen wezenlijke belemmering vormde, mede gelet op de mogelijkheid tot vrijstelling bij een inkomen onder 95% van de bijstandsnorm. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 10 november 2021 bleef in stand.