Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[verzoeker sub 1] ,
[verzoekster sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele procedure hebben de verzoekers, handelend namens zichzelf en hun minderjarige dochter, het blokkeringsrecht uitgeoefend tegen een door de rechtbank benoemde deskundige, waardoor het deskundigenrapport niet aan de wederpartij kon worden verstrekt. De deskundige had zijn eindnota en rapport ingediend, maar na het beroep op het blokkeringsrecht vernietigde de rechtbank het rapport conform de Leidraad deskundigen in civiele zaken.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 199 lid 3 Rv Pro het loon van de deskundige door de griffier ten laste van de Rijkskas is gebracht, waarna op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro moet worden vastgesteld welke partij de kosten draagt. De parlementaire geschiedenis biedt geen duidelijkheid over wie de meest gerede partij is wanneer geen bodemprocedure volgt.
De rechtbank overweegt dat verzoekers niet hebben voldaan aan hun verplichting mee te werken aan het deskundigenonderzoek, omdat zij met het blokkeringsrecht de mededeling van het deskundigenbericht aan de wederpartij en de rechter hebben verhinderd. Dit leidt ertoe dat het voorlopige deskundigenbericht niet tot stand is gekomen. Daarom acht de rechtbank verzoekers de meest gerede partij om de kosten van de deskundige te dragen en veroordeelt hen tot betaling van € 1.547,28 inclusief BTW.
Uitkomst: Verzoekers worden veroordeeld tot betaling van de volledige kosten van het voorlopig deskundigenbericht van € 1.547,28 inclusief BTW.