ECLI:NL:RBMNE:2022:1381
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde appartement ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een appartement, gelegen in een appartementencomplex, vastgesteld op €1.014.000,- met waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix en eigen aankoopcijfers, terwijl eiser een lagere waarde van circa €510.000,- bepleitte op basis van een maximale stijging van 10% ten opzichte van de voorgaande waardepeildatum.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de standpunten die tijdens de zitting zijn ingenomen. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, mede vanwege de eigen transactie van de woning en vergelijkbare marktgegevens. De door eiser aangevoerde gronden, zoals onvoldoende rekening houden met VVE-reserves en de KOUDVL-factoren, slagen niet omdat verweerder deze aspecten voldoende heeft toegelicht en eiser deze niet inhoudelijk heeft weerlegd.
De rechtbank wijst ook het verzoek van eiser om vergoeding van immateriële schade af, omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak bevestigt de WOZ-waarde en verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.014.000,- wordt ongegrond verklaard.