ECLI:NL:RBMNE:2022:1385
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde appartement 2020
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement voor het belastingjaar 2020, welke was vastgesteld op €1.320.000,- met waardepeildatum 1 januari 2019. De gemeente handhaafde deze waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix. De rechtbank behandelde de zaak op 9 november 2021 via een Skype-verbinding waarbij eiser niet aanwezig was, maar zijn gemachtigde wel.
Eiser voerde aan dat de waarde te hoog was en niet in verhouding stond tot de waarde van de vorige peildatum, en dat onvoldoende rekening was gehouden met de VVE-reserves. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de woning kort voor de waardepeildatum voor hetzelfde bedrag was gekocht en er geen bijzondere omstandigheden waren die deze koopprijs onbetrouwbaar maakten.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat de gemeente niet verplicht was een woordelijk verslag van de hoorzitting te overleggen. Tevens werd het verzoek van eiser tot vergoeding van immateriële schade afgewezen omdat de uitspraak binnen de redelijke termijn was gedaan. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.320.000,- is ongegrond verklaard.