De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning met garage, gelegen op een kavel van 189 m2, met een inhoud van circa 382 m3. De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de waarde voor het belastingjaar 2021 vast op €405.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €356.000,- voor.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de prijs is die bij verkoop onder normale omstandigheden zou worden betaald. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd die de waardebepaling onderbouwt via een vergelijkingsmethode met referentiewoningen van hetzelfde type. Hierbij is rekening gehouden met verschillen in onderhoudsstaat en woningtype.
Eiser voerde aan dat onduidelijk was hoe de benedengemiddelde staat van onderhoud is meegenomen, maar verweerder lichtte toe dat hiervoor een aftrek van 13% is toegepast in de taxatiematrix. Dit punt is daarmee komen te vervallen. Ook het verschil in woningtype met twee vergelijkingswoningen (rijwoningen versus hoekwoning) leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit eerder een lagere waarde zou betekenen.
De rechtbank concludeert dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.