ECLI:NL:RBMNE:2022:1458
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde bedrijfsobject vastgesteld via huurwaardekapitalisatiemethode
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een bedrijfsobject in Weesp voor het belastingjaar 2020 vast op €2.952.000,-. Na bezwaar werd deze waarde verlaagd naar €1.837.000,-. Eiseres betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €1.500.000,- voor. De rechtbank beoordeelde de juistheid van de gehanteerde huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de waarde werd bepaald door de bruto jaarhuur te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De gehanteerde bruto huurwaarde van €183.731,- was onderbouwd met drie vergelijkbare referentieobjecten, en de kapitalisatiefactor van 10,0 was afgeleid uit verkoopcijfers van vergelijkbare bedrijfsruimtes. De verschillen in ligging en omstandigheden tussen het object en referentieobjecten, zoals geluidsoverlast en parkeeroverlast, werden door de rechtbank onvoldoende onderbouwd door eiseres om een lagere waarde te rechtvaardigen.
De rechtbank verwierp ook het beroep op beperkingen door het bestemmingsplan en concludeerde dat deze geen bijzonder waardedrukkend effect hadden. De aangevoerde geluidsoverlast en parkeerdruk werden niet als waardeverlagend erkend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.837.000,- is ongegrond verklaard.