ECLI:NL:RBMNE:2022:1461

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2022
Publicatiedatum
15 april 2022
Zaaknummer
21/2566
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:87 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond op te lage dwangsomvergoeding bij naheffingsaanslag parkeerbelasting

De zaak betreft een beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Almere aan eiser. Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde de gemeente in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar, waarna een dwangsom werd toegekend. De dwangsomvergoeding werd echter te laag vastgesteld vanwege een evidente tel- en rekenfout.

De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding 36 dagen bedroeg, waardoor de dwangsomvergoeding € 1.172,- had moeten bedragen in plaats van € 1.127,-. Verweerder erkende dit ook. Daarnaast moet verweerder wettelijke rente vergoeden over het restantbedrag van € 45,- vanaf 18 juni 2021 tot aan de dag van volledige betaling.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de dwangsomvergoeding betreft en bepaalt zelf de juiste vergoeding. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten, inclusief wettelijke rente over deze bedragen vanaf vier weken na verzending van de uitspraak.

De uitspraak is gedaan door rechter J.A. Schuman en griffier C. Fix op 17 maart 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt een hogere dwangsomvergoeding inclusief wettelijke rente en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2566

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: T. Klinkhamer).

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser op 30 november 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 66,40 (€ 1,90 kosten parkeerbelasting en € 65,50 naheffingskosten).
In de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2022 op een online zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser op 30 november 2020 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd. Eiser heeft hiertegen op 21 december 2020 bezwaar gemaakt. Eiser heeft verweerder per brief in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en heeft verzocht om een dwangsom. Verweerder heeft deze ingebrekestelling op 18 maart 2021 ontvangen. Verweerder heeft het verzoek om een dwangsom toegewezen in de uitspraak op bezwaar van 7 mei 2021. Daarbij is de dwangsom vastgesteld op € 1.127,-, berekend naar een termijnoverschrijding van 35 dagen.
2. Eiser voert aan dat verweerder de dwangsomvergoeding te laag heeft vastgesteld, omdat de termijn is overschreden met 36 dagen. Verweerder had de dwangsomvergoeding daarom moeten vaststellen tot een bedrag van € 1.172,-
3. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en op de zitting ook onderkend dat eiser hierin gelijk heeft. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat de dwangsomvergoeding van € 1.127,- is uitbetaald, maar de daarbovenop komende € 45,-,verhoogd met wettelijke rente, nog niet.
4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin aan eiser een dwangsomvergoeding van € 1.127,- is toegekend. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiser recht heeft op een dwangsomvergoeding van € 1.172,-.
5. Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over het restant van € 45,- van de verschuldigde dwangsom. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat verweerder in verzuim is met ingang van 7 mei 2021. De betaling had uiterlijk zes weken later, op 18 juni 2021 moeten plaatsvinden. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat hij zich kan vinden in het standpunt dat hij uiterlijk op 18 juni 2021, de (gehele) dwangsom aan eiser had moeten betalen. De rechtbank ziet in het bepaalde over de dwangsomvergoeding en dwangsombetaling in artikel 4:17, derde lid, en 4:87, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht geen aanleiding om daarvan af te wijken. Verweerder moet vanaf 18 juni 2021 tot en met de dag van gehele voldoening wettelijke rente over het restant van € 45,- aan eiser vergoeden.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-). De rechtbank merkt de foutieve vaststelling van de dwangsomvergoeding aan als een evidente tel- en rekenfout en hanteert daarom een wegingsfactor 0,25 [1] .
8. Eiser heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente indien niet tijdig de proceskosten en het griffierecht is voldaan. De rechtbank zal deze vordering toewijzen met ingang van vier weken na het verzenden van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak voor zover daarin aan eiser een dwangsomvergoeding van € 1.127,- is toegekend;
- bepaalt dat eiser recht heeft op een dwangsomvergoeding van € 1.172,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op over de te betalen dwangsom rente te vergoeden overeenkomstig hetgeen hierover in overweging 5 is beslist;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 379,50;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de aan eiser toegekende proceskosten en het griffierecht, te rekenen vanaf vier weken na verzending van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Fix, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vgl. de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021,:NL:GHARL:2021:10307, het gerechtshof Den Haag 11 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2131 en het Hof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.