ECLI:NL:RBMNE:2022:1593

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 februari 2022
Publicatiedatum
25 april 2022
Zaaknummer
C/16/525685 / FO RK 21-798
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verzoek tot beëindiging ouderlijk gezag moeder wegens belang minderjarige

In deze zaak heeft de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek ingediend tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige. Na aanvullend onderzoek concludeerde de Raad dat de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige waren afgenomen en dat er een positieve verandering was in de relatie tussen moeder en kind.

De minderjarige woont tijdelijk weer bij de moeder en staat open voor hulpverlening. De Raad achtte het beëindigen van het gezag niet langer in het belang van de minderjarige, mede omdat hij binnen zes maanden meerderjarig wordt. Tevens adviseerde de Raad dat de halfzus de minderjarige blijft ondersteunen.

De rechtbank stelde vast dat nu het verzoek was ingetrokken, er niets meer te beslissen viel en sprak de beschikking uit. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder is ingetrokken en er is geen beslissing meer te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/525685 / FO RK 21-798 (beëindiging van het ouderlijk gezag)
Beschikking van 14 februari 2022
in de zaak van:
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Midden-Nederland, hierna: de Raad,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
over de minderjarige:
[naam minderjarige] , geboren op [2004] in [geboorteplaats] , hierna: [voornaam van minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende], hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, hierna: SAVE,
gevestigd in [vestigingsplaats] .

1.De procedure

1.1.
In de beschikking van 22 november 2021 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen aangehouden tot 20 december 2021 in afwachting van berichtgeving van de Raad of hij zijn verzoek handhaaft, wijzigt of intrekt.
1.2.
Daarna heeft de rechtbank op 15 december 2021 een e-mailbericht ontvangen van de Raad met het verzoek om uitstel van de pro forma datum tot 20 januari 2022. Het onderzoek is inmiddels gestart, maar de Raad heeft nog geen contact kunnen krijgen met de halfzus van [voornaam van minderjarige] .
1.3.
Vervolgens heeft de rechtbank op 12 januari 2022 het rapport van de Raad ontvangen.

2.Waar gaat het over?

2.1.
Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 22 november 2021.
2.2.
In de beschikking van 22 november 2021 heeft de rechtbank het gezag van de vader over [voornaam van minderjarige] beëindigd.

3.De beoordeling

3.1.
Uit het rapport van de Raad blijkt dat de Raad zijn verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder intrekt. De zorgen rondom de ontwikkeling van [voornaam van minderjarige] zijn afgenomen ten opzichte van de situatie ten tijde van het vorige raadsonderzoek. Er lijkt een positieve verandering te zijn in de relatie tussen de moeder en [voornaam van minderjarige] . Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat [voornaam van minderjarige] op dit moment weer tijdelijk bij de moeder woont, omdat hij zich na twee conflictsituaties niet meer veilig voelde op het [.] . [voornaam van minderjarige] heeft aangegeven dat hij open staat voor hulpverlening en dat hij daar aan zal meewerken. De Raad wil demotivatie bij [voornaam van minderjarige] voorkomen. De Raad verwacht dat het belasten van SAVE met de voogdij over hem weerstand zal oproepen bij [voornaam van minderjarige] . Dat zal voor onrust en demotivatie zorgen en/of juist een negatief effect hebben op zijn functioneren. Dit terwijl rust en stabiliteit op dit moment heel belangrijk is voor [voornaam van minderjarige] . Bovendien wordt [voornaam van minderjarige] over minder dan zes maanden achttien jaar oud. De Raad acht beëindiging van het gezag van de moeder dan ook niet langer in het belang van [voornaam van minderjarige] . De Raad adviseert daarbij wel dat de halfzus [voornaam van minderjarige] naast de moeder blijft ondersteunen, net als het afgelopen half jaar. Daar heeft hij immers veel baat bij gehad.
3.2.
Nu de Raad zijn verzoek heeft ingetrokken, stelt de rechtbank vast dat er niets meer te beslissen valt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt vast dat er in deze procedure niets meer te beslissen valt.
Dit is de uitspraak (beschikking) van (kinder)rechter mr. M.W.V. van Duursen, tot stand gekomen in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2022.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.