Eiser is eigenaar van een rijwoning met een inhoud van 359 m3 en een kavel van 154 m2, inclusief dakkapel, berging en aanbouw. De gemeente stelde de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2021 vast op €344.000, waartegen eiser bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de vergelijkingsobjecten die de gemeente gebruikte voldoende vergelijkbaar waren met de woning van eiser en of er voldoende rekening was gehouden met verschillen. De vergelijkingsobjecten hadden hetzelfde bouwjaar, een vergelijkbare inhoud en grondoppervlakte, en lagen in dezelfde buurt. De verschillen, zoals de aanbouw bij eiser, werden meegenomen in de waardering.
De rechtbank vond de taxatiematrix van de gemeente overtuigend en volgde het oordeel dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het door eiser ingebrachte taxatierapport werd daarom niet verder beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen twee jaar was afgerond. Ook werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.