ECLI:NL:RBMNE:2022:172

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 januari 2022
Publicatiedatum
24 januari 2022
Zaaknummer
C/16/521059 / HL ZA 21-131
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.C. Hagedoorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 16.3 koopovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering bestuurdersaansprakelijkheid wegens ontbreken benadeling schuldeiser

De zaak betreft een vordering van een besloten vennootschap ([eiseres]) tegen de bestuurder ([gedaagde]) van een andere vennootschap ([naam onderneming]) wegens vermeende bestuurdersaansprakelijkheid. [eiseres] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door onder meer het sluiten van een koopovereenkomst terwijl hij wist dat [naam onderneming] deze niet zou nakomen, en door misbruik te maken van de faillissementsaanvraag.

De rechtbank stelt vast dat de kern van het geschil is of [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt door het niet nakomen van de koopovereenkomst door [naam onderneming]. De rechtbank benadrukt dat bestuurdersaansprakelijkheid slechts kan worden aangenomen als er sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt en benadeling van de schuldeiser door onbetaald en onverhaalbaar blijven van de vordering.

De rechtbank oordeelt dat het nog niet vaststaat dat [naam onderneming] wanprestatie pleegt, omdat het vonnis dat de koopovereenkomst tot stand bracht in hoger beroep is. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de schade van circa €4 miljoen daadwerkelijk op [naam onderneming] kan worden verhaald. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat de vordering onverhaalbaar is gezien de waarde van de failliete boedel.

De rechtbank gaat ook in op enkele concrete verwijten van [eiseres], zoals het ontbreken van een meldplicht over onteigening en de verplichting tot informatieverstrekking, en wijst deze af. De vorderingen worden afgewezen en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot bestuurdersaansprakelijkheid worden afgewezen wegens ontbreken van benadeling van de schuldeiser.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/521059 / HL ZA 21-131
Vonnis van 19 januari 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.R. van Zanten te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de akte met producties 1 t/m 32 aan de zijde van [eiseres] ;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 15;
- de akte met producties 16 t/m 19 aan de zijde van [gedaagde] ;
- de akte met producties 33 en 34 aan de zijde van [eiseres] ;
- de akte met producties 20 en 21 aan de zijde van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 6 december 2021, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden;
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [eiseres] ;
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De inleiding

2.1.
[eiseres] exploiteert een onderneming die zich tot doel stelt het ontwikkelen van vastgoedprojecten. De vennootschap [naam onderneming] B.V. (hierna: [naam onderneming] ) heeft een bedrijfspand aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 1/letteraanduiding 1] in [plaatsnaam] (hierna: het bedrijfspand) in eigendom. [gedaagde] is de bestuurder van [naam onderneming] .
2.2.
Op 1 juli 2019 hebben [eiseres] en [naam onderneming] een koopoptie getekend waarbij [naam onderneming] als eigenaar van het bedrijfspand een koopoptie geeft aan [eiseres] om het bedrijfspand te kopen onder de aldaar beschreven voorwaarden. Nadien is tussen [eiseres] en [naam onderneming] in discussie geweest of op 1 juli 2019 ook een mondelinge koopovereenkomst voor de koop van het bedrijfspand is gesloten. Bij vonnis van 17 februari 2021 van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: het vonnis) is uitgesproken dat tussen [eiseres] en [naam onderneming] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. [naam onderneming] is veroordeeld tot nakoming van de koopovereenkomst en medewerking van de schriftelijke vastlegging hiervan. [naam onderneming] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
2.3.
Op 10 maart 2021 heeft [naam onderneming] onder protest en in afwachting van het hoger beroep de koopovereenkomst met [eiseres] zoals die vervolgens schriftelijk is vastgelegd ondertekend (hierna: de koopovereenkomst 2021), waarbij [naam onderneming] het bedrijfspand verkoopt en [eiseres] het bedrijfspand koopt. Volgens de koopovereenkomst 2021 vindt de levering van het bedrijfspand plaats binnen 15 weken nadat een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van ten minste 150 woningen is verkregen en de te verkopen woningen onvoorwaardelijk zijn verkocht. [eiseres] heeft de mogelijkheid de koopovereenkomst 2021 te ontbinden als niet op 30 juni 2021 aan de hiervoor genoemde voorwaarden voorafgaand aan de levering is voldaan.
2.4.
Nadien vraagt [naam onderneming] haar eigen faillissement aan en wordt zij op 30 maart 2021 failliet verklaard.
2.5.
In deze procedure vordert [eiseres] - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis voor recht verklaart dat [gedaagde] op grond van onrechtmatig handelen aansprakelijk is tegenover [eiseres] en [gedaagde] veroordeelt de schade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt en nog zal lijden te vergoeden, welke schade nader opgemaakt wordt bij staat, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en beslagkosten.
2.6.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.
2.7.
De rechtbank volgt de stellingen van [eiseres] niet en zal haar vorderingen daarom afwijzen. Hierna legt de rechtbank dit uit.

3.De beoordeling

3.1.
De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk is tegenover [eiseres] voor de door haar gestelde geleden en nog te lijden schade. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en zal daarom de vorderingen van [eiseres] afwijzen. Hierna legt de rechtbank dit uit.
Toetsingskader bestuurdersaansprakelijkheid
3.2.
Wanneer een vennootschap wanprestatie pleegt of onrechtmatig handelt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, behalve die vennootschap, ook de bestuurder van die vennootschap aansprakelijk zijn voor de schade. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling van de schuldeiser persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt in een situatie waarbij de bestuurder i) namens de vennootschap heeft gehandeld of ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.
Voor de situatie (i) geldt als maatstaf dat er sprake kan zijn van een ernstig verwijt wanneer de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade tegenover de schuldeiser (de Beklamel-norm). Voor de situatie (ii) geldt dat de bestuurder voor de schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
De concrete verwijten
3.3.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] namens [naam onderneming] de koopovereenkomst met [eiseres] sloot, terwijl hij wist of behoorde te weten dat [naam onderneming] deze niet kan, niet zal en niet wil nakomen. Verder stelt [eiseres] dat [gedaagde] welbewust handelingen heeft verricht met geen ander doel dan de gerechtvaardigde aanspraken van [eiseres] uit hoofde van de gesloten overeenkomst te frustreren waardoor een vordering van [eiseres] tot nakoming van de koopovereenkomst en betaling door [naam onderneming] uit hoofde van de verbeurde dwangsommen en/of contractuele boete en vervangende schadevergoeding onmogelijk en onverhaalbaar blijkt.
3.4.
Concreet maakt [eiseres] [gedaagde] de volgende verwijten. [eiseres] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door:
I. een koopovereenkomst te sluiten ter zake van een onroerende zaak die reeds deels onteigend blijkt te zijn;
II. vervolgens te ontkennen dat een koopovereenkomst is gesloten,
III. jegens de gemeente [naam gemeente] te veinzen dat [eiseres] geen belanghebbende is en dat door de gemeente uitsluitend met hem en de door hem aangewezen derden onderhandeld kan worden over de projectontwikkeling op de litigieuze locatie;
IV. vervolgens ook daadwerkelijk met buitensluiting van [eiseres] onderhandelingen te voeren met de gemeente [naam gemeente] ,
V. meinedige verklaringen af te leggen in de bodemprocedure die gevoerd is bij de rechtbank Midden-Nederland;
VI. een vals document in het geding te brengen die beweerdelijk de eerste oorspronkelijke concept koopakte betreft, daarna
VII. hardnekkig jegens [eiseres] de feitelijke ontwikkelingen en de met de gemeente gevoerde gesprekken te verzwijgen,
VIII. welbewust in strijd te handelen met de verplichting die voortvloeit uit artikel 16.3 van de koopovereenkomst en tot slot,
IX. misbruik te maken van de bevoegdheid om een faillissement van de vennootschap van [naam onderneming] aan te vragen, namelijk met uitsluitend het doel om de uitvoering van de koopovereenkomst te frustreren.
De benadeling van [eiseres] is nog niet gebleken
3.5.
De vraag is nu of met de gestelde verwijten voldaan is aan de norm om te komen tot bestuurdersaansprakelijkheid, zoals die in het toetsingskader is uiteengezet. Het uitgangspunt bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad tegenover een schuldeiser van de vennootschap is dat er sprake moet zijn van benadeling van die schuldeiser door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering. Allereerst moet dus worden beoordeeld of er sprake is van benadeling van [eiseres] door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering.
3.6.
Naar de rechtbank begrijpt bestaat de benadeling van [eiseres] uit de wanprestatie van [naam onderneming] doordat zij de koopovereenkomst 2021 niet nakomt. Tegen het vonnis waarbij is uitgesproken dat tussen [eiseres] en [naam onderneming] een koopovereenkomst tot stand is gekomen en [naam onderneming] is veroordeeld tot nakoming van de koopovereenkomst is hoger beroep ingesteld. Dit betekent dat de beslissingen in dat vonnis nog geen gezag van gewijsde hebben en daarmee in een ander geding tussen dezelfde partijen geen bindende kracht. De rechtbank kan dus niet zonder meer ervan uitgaan dat [naam onderneming] wanpresteert omdat zij de gestelde koopovereenkomst niet nakomt.
3.7.
Verder voert [eiseres] aan dat de omvang van de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wanprestatie nog onbekend is. Zij stelt haar schade thans conservatief te begroten op ten minste € 4.000.000,00. Deze begrote schade wordt onderbouwd met verwijzing naar een winstmarge van € 7.387.500,00 uit de projectontwikkeling die bij benadering 150 woningen zou omvatten en naar de gemaakte kosten voor de voorbereiding en de ontwikkeling bestaande uit architect kosten en honorarium stedelijke- en bouwkundige ontwikkeling.
3.8.
De rechtbank oordeelt dat niet zonder meer aannemelijk is dat [eiseres] de gederfde winstmarge als gevolg van het niet tot stand komen van de projectontwikkeling van circa 150 woningen als schade op [naam onderneming] kan verhalen. Om te komen tot deze projectontwikkeling van circa 150 woningen moeten diverse stappen worden gezet en voorwaarden worden vervuld. Zo moeten (1) de andere perceelhouders van het perceel, waarvan het bedrijfspand van [naam onderneming] onderdeel uit maakt, hun percelen aan [eiseres] verkopen, (2) moet een onherroepelijke omgevingsvergunning van ten minste circa 150 woningen zijn verkregen en (3) moeten de koopwoningen onherroepelijk zijn verkocht. De koopovereenkomst 2021 bevat geen bepaling op grond waarvan de gederfde winst of anderszins te lijden schade door [eiseres] als gevolg van de omstandigheid dat de projectontwikkeling niet tot stand komt, als schade op [naam onderneming] kan worden afgewenteld. Zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, ziet de rechtbank niet in op welke grond de volledige (geprognosticeerde) gederfde winstmarge van de projectontwikkeling als schadepost op [naam onderneming] kan worden verhaald. Verder heeft [gedaagde] betwist dat [eiseres] kosten heeft gemaakt in de voorbereiding en de ontwikkeling van het project. [eiseres] heeft deze schadepost niet onderbouwd, waardoor voor de rechtbank deze schadepost onvoldoende is gebleken.
3.9.
Uit het bovenstaande volgt dat het de rechtbank nog niet is gebleken of [eiseres] een vordering heeft op [naam onderneming] , en zo ja, voor welk bedrag. Vervolgens kan, gelet op de omstandigheid dat de failliete boedel van [naam onderneming] vermogensbestandsdelen van substantiële waarde bevat, in deze procedure niet op voorhand, zonder enige toelichting, die ontbreekt, worden aangenomen dat een eventuele vordering van [eiseres] op de gefailleerde [naam onderneming] onverhaalbaar is. Dit betekent dat in deze procedure de benadeling van [eiseres] nog niet is gebleken, waardoor de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling of [gedaagde] als bestuurder van [naam onderneming] hiervan een ernstig verwijt, op basis van de onder 3.4 verweten gedragingen, kan worden gemaakt.
3.10.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. De rechtbank komt ook niet toe aan een beoordeling van de concrete verwijten van [eiseres] . Hierna zal de rechtbank, ten overvloede, nog op een tweetal verwijten ingaan. Mogelijk is dat partijen behulpzaam bij de verdere afwikkeling van deze kwestie.
3.11.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht deze procedure aan te houden totdat in het hoger beroep was beslist. Dat zal de rechtbank niet doen. Ook als in het hoger beroep een arrest in het voordeel van [eiseres] zou worden gewezen, is het nog steeds de vraag of [eiseres] benadeeld is (zie overweging 3.9). [eiseres] heeft er voor gekozen om deze procedure voortijdig in te zetten, van enige noodzaak daartoe is niet gebleken. [gedaagde] heeft voorts, gezien zijn leeftijd en de impact van deze zaak, een gerechtvaardigd belang bij een beslissing in deze zaak
Geen schending van de meldplicht ten aanzien van de onteigening
3.12.
Voor zover [eiseres] stelt dat de benadeling van [eiseres] erin bestaat dat [naam onderneming] niet het onteigende deel van het perceel van het verkochte bedrijfspand kan leveren, overweegt de rechtbank dat [naam onderneming] hiervoor niet schadeplichtig is, omdat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend.
3.13.
[eiseres] stelt dat een deel van het verkochte bedrijfspand al voor 1 juli 2019 was onteigend en dat dat is verzwegen door [gedaagde] . Deze stelling van [eiseres] kan de rechtbank niet volgen. In de door [eiseres] en [naam onderneming] ondertekende koopoptie van 1 juli 2019 is opgenomen (onderstreping door de rechtbank):
“de optiegever verleent de optienemer het recht om van hem, tegen nader overeen te komen voorwaarden en bedingen, te kopen de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [straatnaam] [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 1/letteraanduiding 1] te [plaatsnaam] (postcode [postcode] ), kadastraal bekend als gemeente [naam gemeente] , sectie [letteraanduiding 2] nummer [nummeraanduiding 2] , groot 24 are 78 centiare, met aandeel in het mandelig perceel kadastraal bekend als gemeente [naam gemeente] , sectie [letteraanduiding 2] nummer [nummeraanduiding 3] ,uitgezonderd het door de provincie Noord-Holland te onteigenen deel van het parkeerterrein en van de mandeligheid,”
Volgens [eiseres] is op 25 juni 2019 de concept koopoptie namens [naam onderneming] aan haar per e-mail gestuurd, waarna partijen op 1 juli 2019 de koopoptie hebben getekend. In deze ondertekende koopoptie is opgenomen dat een deel van het perceel zal worden onteigend. [gedaagde] voert aan dat ten tijde van het sluiten van de koopoptie de onteigeningsprocedure aanhangig was bij de Hoge Raad. Op 7 februari 2020 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep over de onteigening verworpen en op 21 februari 2020 is de onteigening ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster. Met de mededeling over de aanstaande onteigening in de koopoptie van 1 juli 2020 heeft [naam onderneming] voldaan aan haar mededelingsplicht. Het mag van een professionele partij als [eiseres] worden verwacht dat zij met deze mededeling voldoende was geïnformeerd over de aanstaande onteigening.
3.14.
Ter zitting heeft [eiseres] nog aangevoerd dat, hoewel de onteigening in de koopoptie is meegedeeld, ‘in het koopcontract daar niet meer over is gesproken en het bedrijfsterrein en de mandeligheid toen is verkocht.’ De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in deze stelling. Na het vonnis heeft de advocaat van [naam onderneming] de door [eiseres] toegestuurde concept koopovereenkomst 2021 aangepast, waarbij rekening is gehouden met de onteigening van een deel van het perceel van het bedrijfspand. Deze aanpassing heeft de advocaat van [naam onderneming] op 4 maart 2021 per e-mail toegelicht aan [eiseres] . Uit de correspondentie die vervolgens is gevoerd blijkt dat [eiseres] heeft geweigerd in de redactie van de koopovereenkomst 2021 rekening te houden met de onteigening van het deel van het perceel. Vervolgens heeft [naam onderneming] de koopovereenkomst 2021, zoals geredigeerd door [eiseres] , ondertekend om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen. Dat de koopovereenkomst 2021 als gevolg van de weigering rekening te houden met de onteigening een onjuistheid bevat in de omschrijving van het te leveren perceel kan in het licht van de daaraan voorafgaande mededelingen van [naam onderneming] niet aan haar worden toegerekend.
Geen verplichting tot informatieverstrekking ex artikel 16.3 van de koopovereenkomst 2021
3.15.
Voor zover [eiseres] stelt dat de benadeling van [eiseres] erin bestaat dat [naam onderneming] dwangsommen verbeurt, omdat zij de verplichting tot informatieverstrekking niet nakomt en deze dwangsommen onbetaald laat, overweegt de rechtbank als volgt.
3.16.
[eiseres] voert aan dat zij per e-mail op 10 maart 2021 [naam onderneming] / [gedaagde] heeft gesommeerd te verstrekken: informatie over de gevoerde bespreking met alle daarbij behorende stukken waaronder begrepen doch niet beperkt tot de intentieovereenkomst met plantekeningen, gespreksverslagen, gevoerde correspondentie en gespreknotities die direct of indirect betrekking (kunnen) hebben op het verkochte en de daaraan verbonden projectontwikkeling.
3.17.
In artikel 16.3 van de koopovereenkomst 2021 is bepaald:

16.3 Partijen verplichten zich over en weer al het redelijk mogelijke te doen teneinde de hierboven bedoelde vergunning en/of financiering en/of toezegging(en) en/of andere zaken te verkrijgen.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op de verplichte verstrekking tot de gevraagde informatie niet zonder meer steun vindt in artikel 16.3 van de koopovereenkomst 2021. De gestelde verplichting tot informatieverstrekking, zoals is verwoord in de e-mail van 10 maart 2021, volgt niet uit de letterlijke bewoording van artikel 16.3 van de koopovereenkomst 2021. Voor de uitleg van dit artikel kan niettemin de partijbedoeling van belang zijn en hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [eiseres] heeft hierover echter in deze procedure niets gesteld en onderbouwd. Ook is niet van een andere afspraak gebleken waaruit de gestelde verplichting tot informatieverstrekking voor [naam onderneming] voortvloeit. Daarmee is het in deze procedure onvoldoende gebleken dat op [naam onderneming] de verplichting rust om de door [eiseres] verzochte informatie te verstrekken op straffe van verbeurte van dwangsommen.
Proceskosten
3.18.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij zal voor het vaststellen van het liquidatietarief uitgegaan worden van het door [eiseres] aangegeven financiële belang van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 309,00
- salaris advocaat €
7.998,00(2,0 punten × tarief € 3.999,00)
Totaal € 8.307,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 8.307,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en te vermeerderen met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2022.