Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 24 maart 2021 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis in conventie,
- de mondelinge behandeling van 4 maart 2022,
- de spreekaantekeningen namens [eiseres] ,
- de spreekaantekeningen namens [gedaagde] .
2.De feiten
€ 311.747,00 gekocht op 28 december 2005 en in februari 2006 is de woning geleverd. Voor de financiering van de woning heeft [gedaagde] bij zijn ouders een hypotheeklening van
€ 246.192,10 afgesloten. Ook hebben partijen gezamenlijk een hypotheeklening afgesloten bij de Fortis ASR Bank (nu de Florius Bank) voor een bedrag van € 150.000,00 waarvan zij
€ 88.500,00 hebben opgenomen.
€ 88.500,00 zal dragen,
4.De beoordeling
[eiseres] ?
€ 260.000,00 waard zou zijn.
Op welke waarde taxeert u de woning aan de [adres 2] in ( [postcode 2] ) [plaats 2] in het economisch verkeer, in leeg opleverbare staat, op [de nog in te vullen waardepeildatum].’
€ 246.192,10 en de geldlening bij Fortis ASR/Florius Bank van € 88.500,00. Wanneer de waarde van de woning bekend is, moet deze waarde worden verminderd met de hypothecaire schulden. Partijen hebben vervolgens recht op ontvangst of zijn verplicht tot betaling van de helft van het bedrag.
waardevan de woning. Zij is goederenrechtelijk geen eigenaar van de woning en kan daarom ook niet op grond van het Samenlevingscontract vorderen dat de woning verkocht wordt.
nadatdaarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Anders dan [gedaagde] vindt, hebben partijen met deze finale kwijting naar het oordeel van de rechtbank geaccepteerd dat zij op de kosten van de huishouding niet meer terugkomen. Gelet op deze afspraak moet de vordering van [gedaagde] in elk geval worden afgewezen voor zover deze ziet op achterstallige rente over de periode tot 2009.