ECLI:NL:RBMNE:2022:1804

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
10 mei 2022
Zaaknummer
UTR - 21 _ 3732
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 7.1 Wsf 2000Art. 7.4 Wsf 2000Art. 1 lid 4 Algemene wet op het binnentreden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen herziening studiefinanciering wegens niet-woonachtig op BRP-adres

Eiseres ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten, terwijl zij volgens een huisbezoek van controleurs niet daadwerkelijk op het BRP-adres woonde. Verweerder herzag daarop de studiefinanciering en vorderde het te veel ontvangen bedrag terug.

Eiseres stelde dat de controleur niet bevoegd was en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de toestemming voor het huisbezoek onvoldoende zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de controleur bevoegd was op grond van het aanwijzingsbesluit en dat eiseres als bewoonster voldoende toestemming had gegeven voor het binnentreden, waardoor het bewijs rechtmatig was verkregen.

De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende feiten had gepresenteerd waaruit bleek dat eiseres niet op het BRP-adres woonde, zoals het ontbreken van persoonlijke zaken in de kamer tijdens het huisbezoek. De door eiseres overgelegde bewijsstukken, zoals verklaringen van derden en poststukken, waren onvoldoende om deze conclusie te weerleggen.

Daarom was de herziening van de studiefinanciering en de terugvordering terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de studiefinanciering en terugvordering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. Weijer),
en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Hummel-Fekkes).

Procesverloop

In het besluit van 9 juni 2021 (primaire besluit I) heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres per 1 oktober 2020 herzien van de norm van een uitwonende studerende naar de norm van een thuiswonende studerende.
In het besluit van 9 juni 2021 (primaire besluit II) heeft verweerder het te veel ontvangen bedrag aan studiefinanciering over de periode van oktober 2020 tot en met mei 2021 ter hoogte van € 1.749,77 van eiseres teruggevorderd.
In het besluit van 29 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2022 gezamenlijk met de zaak UTR 21/3733 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 11 januari 2022 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen de aanwijzingsbesluiten van [bedrijf] . te overleggen.
Op 13 januari 2022 heeft verweerder de stukken overgelegd. Op 20 januari 2022 heeft eiseres hierop gereageerd. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek op 26 januari 2022 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres staat vanaf 3 juli 2020 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] in [plaats] . Dat is het adres van haar oma. Vanaf 1 oktober 2020 is eiseres voor een uitwonende student studiefinanciering gaan ontvangen.
2. Op 28 mei 2021 hebben controleurs in opdracht van de Dienst Uitvoering Onderwijs onderzoek gedaan naar de woonsituatie van eiseres. De controleurs hebben een huisbezoek afgelegd op het BRP-adres van eiseres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in de rapportage van 1 juni 2021.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft op grond van de bevindingen in de rapportage de uitwonendenbeurs van eiseres herzien per 1 oktober 2020 en een bedrag van
€ 1.749,77 aan te veel ontvangen studiefinanciering teruggevorderd. Verweerder is uit de controle gebleken dat eiseres niet haar hoofdverblijf heeft op het BRP-adres.
Waren de controleurs bevoegd tot het doen van onderzoek?
4. Eiseres voert aan dat de controleur [A] die het huisbezoek heeft uitgevoerd niet daartoe bevoegd was, omdat uit de stukken niet blijkt dat hij een arbeidsovereenkomst had met [bedrijf] . Ook anderszins heeft verweerder niet aangetoond dat [A] in dienst was van [bedrijf] ..
5. De rechtbank geeft eiseres hierin geen gelijk. Verweerder heeft het aanwijzingsbesluit van 23 september 2014, gewijzigd bij besluit van 11 april 2017, overgelegd, waaruit blijkt dat personen die werkzaam zijn bij [bedrijf] . belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000. Uit de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel die verweerder heeft overgelegd, kan worden opgemaakt dat [A] bestuurder is van [bedrijf] . Hiermee is de bevoegdheid van [A] tot het doen van onderzoek gegeven. Er is geen sprake van een situatie dat [bedrijf] . het onderzoek heeft uitbesteed aan een derde zodat het beroep op de door eiseres genoemde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep niet slaagt. [1]
Is er sprake van onrechtmatig verkregen bewijs?
6. Eiseres voert aan dat verweerder de bevindingen zoals neergelegd in de rapportage van het huisbezoek niet aan zijn bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het gaat hier om bewijs dat volgens eiseres onrechtmatig is verkregen, omdat voor het binnentreden niet de vereiste toestemming van de hoofdbewoonster is verleend. De door eiseres gegeven toestemming is onvoldoende omdat zij door verweerder niet is aangemerkt als bewoonster.
7. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiseres dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs niet slaagt. Er is toestemming verleend door eiseres voor binnentreding van de woning. Op grond hiervan mochten de controleurs de woning binnentreden. Uit artikel 1, vierde lid, van de Algemene wet op het binnentreden volgt namelijk dat toestemming van een bewoner voldoende is om rechtmatig binnen te treden. Eiseres is terecht als bewoonster aangemerkt omdat zij op het moment van het huisbezoek op het BRP-adres stond ingeschreven. Dat op grond van het huisbezoek is geconstateerd dat zij niet op het BRP-adres woonachtig is, betekent niet dat de controleurs niet de woning mochten binnentreden.
Heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiseres niet woont op het BRP-adres?
8. Verweerder kan een besluit waarbij studiefinanciering is toegekend, herzien en een teveel betaald bedrag terugvorderen [2] . Aanleiding voor herziening kan, zoals verweerder in dit geval stelt, zijn gelegen in het feit dat is gebleken dat eiseres niet woont op het adres waaronder zij in de BRP staat ingeschreven en daarom niet als uitwonend wordt aangemerkt [3] .
9. De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de uitwonendenbeurs en de terugvordering voor eiseres belastende besluiten zijn. De bewijslast voor de stelling dat eiseres niet woont op het adres waaronder zij staat ingeschreven, rust daarom op verweerder. Verweerder heeft aan deze bewijslast voldaan. De bevindingen van het huisbezoek, zoals neergelegd in de rapportage van 1 juni 2021, bieden verweerder voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat eiseres ten tijde van de controle niet op haar BRP-adres woonde. Tijdens het huisbezoek zijn op de als kamer van eiseres getoonde kamer geen tot haar te herleiden zaken aangetroffen. Anders dan eiseres stelt kan van de getoonde kleding, verzorgingspullen en voedingsmiddelen niet worden vastgesteld dat deze van eiseres zijn. Deze kunnen evengoed van iemand anders zijn. Waar eiseres stelt dat zij ten tijde van de controle reeds een jaar op het BRP-adres woonde in de zin dat zij daar eet, ontspant, slaapt, studeert en zich persoonlijk verzorgt, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot haar te herleiden zaken bevonden, waaruit dit blijkt en waaruit kon worden afgeleid dat zij daar woonde. Daarbij kan worden gedacht aan administratie, studiemateriaal, computer etc. Verweerder heeft voldoende feiten gepresenteerd op grond waarvan aannemelijk is dat eiseres niet woonde op het BRP-adres.
10. Eiseres heeft in de procedure geen bewijsmiddelen overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de op basis van de voren vermelde waarnemingen en bevindingen getrokken conclusie van bewoning. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de foto’s van de poststukken en pakjes waarop het BRP-adres staat vermeld geen afdoende bewijs vormen dat eiseres ook op dit adres woonde. Deze poststukken zijn niet op het BRP-adres aangetroffen en de rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de adressering van deze poststukken logisch is nu eiseres op dit adres stond geregistreerd. De verklaringen van een vriendin, de buurvrouw en oma, vormen ook onvoldoende bewijs. Los van de inhoud van deze verklaringen en de vraag of hier uit kan worden afgeleid dat eiseres haar hoofdverblijf had op het BRP-adres, is dit geen objectief bewijs die opweegt tegen de bevindingen en waarnemingen van de controleurs op basis waarvan verweerder zijn conclusie heeft getrokken ten aanzien van de bewoning. De overgelegde huurovereenkomst vormt evenmin voldoende bewijs om aan de conclusie van verweerder over de bewoning van de kamer te twijfelen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiseres geen bewijs heeft overgelegd van betaalde huurpenningen wat aan eiseres kan worden tegengeworpen omdat zij daarmee haar verblijf op het adres van haar oma had kunnen staven.
11. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat eiseres op 28 mei 2021 niet op het BRP-adres woonde. Verweerder heeft daarom terecht de studiefinanciering van eiseres vanaf oktober 2020 herzien en het te veel uitgekeerde bedrag aan studiefinanciering teruggevorderd. Daarbij is van belang dat eiseres niet heeft aangevoerd dat haar situatie op 28 mei 2021 anders was dan die van de periode daarvoor.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 april 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

2.Artikelen 7.1 en 7.4 van de Wsf 2000.
3.Artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000.