ECLI:NL:RBMNE:2022:1828
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen nihil compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid
Een werkgever had een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid ontslagen en een transitievergoeding betaald. De werkgever vroeg compensatie van deze vergoeding bij het UWV, maar het UWV stelde de compensatie nihil omdat het wettelijke peilmoment voor compensatie lag vóór de inwerkingtreding van de transitievergoeding per 1 juli 2015.
De werkgever maakte bezwaar tegen deze nihilstelling en stelde dat de compensatie wel toekwam omdat het dienstverband na 1 juli 2015 werd beëindigd. De rechtbank oordeelde dat het wettelijke peilmoment voor de compensatie het einde van het reguliere opzegverbod van twee jaar ziekte is, dat in deze zaak op 7 april 2015 lag, vóór de inwerkingtreding van de transitievergoeding.
De rechtbank volgde de eerdere lijn van haar uitspraak van 28 juli 2021 en concludeerde dat er geen ruimte is voor een andere uitleg van de wet. De compensatie werd daarom terecht op nul vastgesteld. De rechtbank wees ook het verzoek om aanhouding af ondanks lopende vergelijkbare zaken bij de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank erkende dat de situatie oneerlijk kan aanvoelen voor de werkgever, maar benadrukte dat dit een overgangsgeval betreft. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het nihil stellen van de compensatie van de transitievergoeding is ongegrond verklaard.