Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:1831

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
12 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1874
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673e BWArt. 7:670 BWWet werk en zekerheidWet compensatie transitievergoeding
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen nihil compensatie transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Eiseres, werkgever van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, heeft een transitievergoeding betaald bij beëindiging van het dienstverband na 1 juli 2015. Zij vroeg compensatie van deze vergoeding bij het UWV, dat het bedrag nihil stelde omdat het wettelijke peilmoment voor compensatie het einde van het opzegverbod van twee jaar ziekte is, dat in dit geval op 3 september 2012 lag, vóór de inwerkingtreding van de compensatieregeling op 1 juli 2015.

Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. In het beroep bij de rechtbank voerde zij aan dat compensatie ook mogelijk moet zijn als de beëindiging van het dienstverband plaatsvindt na 1 juli 2015, ongeacht het eerdere einde van het opzegverbod. De rechtbank verwierp dit standpunt en bevestigde de eerdere lijn dat het peilmoment voor de compensatie het einde van het opzegverbod is.

De rechtbank wees erop dat de wetstekst van artikel 7:673e BW duidelijk is en dat de compensatie niet terugwerkt voorbij 1 juli 2015. Ook achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat werkgevers slapende dienstverbanden beëindigen met compensatie als zij die niet kunnen ontvangen. Het beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het nihil stellen van de compensatie van de transitievergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1874

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Madna),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E. Witte).

Inleiding

1. Met ingang van 1 januari 2006 is [A] (de werkneemster) bij eiseres in dienst
getreden. Na uitval door ziekte op 3 september 2010 heeft het Uwv met ingang van 31 augustus 2012 aan de werkneemster een loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend.
2. Na het einde van de loondoorbetalingsverplichting (30 augustus 2012) en na het einde van het opzegverbod door ziekte (3 september 2012), is op 1 juli 2015 het tweede deel van de Wet werk en zekerheid in werking getreden. Vanaf die datum moeten werkgevers bij het verlenen van ontslag een transitievergoeding aan werknemers betalen.
3. Eiseres en de werkneemster hebben op 14 augustus 2015 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 november 2015 eindigt wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Eiseres heeft aan de werkneemster een transitievergoeding betaald van € 6.213,- bruto.
4. Met ingang van 1 april 2020 is de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid in werking getreden. Vanaf die datum moet het Uwv de betaalde transitievergoeding na een ontslag vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid aan de werkgever vergoeden, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
5. Eiseres heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend voor compensatie van de
transitievergoeding. Met het besluit van 22 september 2020 heeft het Uwv bepaald dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor compensatie van de transitievergoeding, maar is het bedrag van de compensatie bepaald op € 0,-.
6. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 maart 2021 (het
bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
7. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2022 via MsTeams. Het
beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers UTR 21/2598, UTR 21/2975 en UTR 21/3004. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het geschil

8. Deze zaak gaat over de nihilstelling van het compensatiebedrag door het Uwv. De compensatie kan volgens het Uwv niet meer bedragen dan de transitievergoeding die de werkgever verschuldigd zou zijn op de dag na de einddatum van het opzegverbod van twee jaar wegens ziekte. Deze einddatum is in dit geval 3 september 2012. Op deze datum bestond volgens het Uwv nog geen recht op een transitievergoeding, omdat de wettelijke regeling voor betaling van een transitievergoeding pas per 1 juli 2015 in werking is getreden.
9. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert aan dat in de wet en in de rechtspraak geen
ondersteuning kan worden gevonden voor de conclusie dat indien de datum waarop het opzegverbod van twee jaar bij ziekte eindigde vóór 1 juli 2015 en de beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding plaatsvindt op of na 1 juli 2015, de compensatie op € 0,- moet worden vastgesteld. Eiseres stelt dat het er niet toe doet op welk moment de periode van twee jaar ziekte, eventueel verlengd met een loonsanctie of een 26-wekenperiode, is geëindigd en het dienstverband slapend is geworden. Als het dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid op of na 1 juli 2015 is of wordt beëindigd, dan heeft de werkgever volgens eiseres recht op compensatie van de betaalde transitievergoeding. Ter onderbouwing wijst eiseres op uitspraken van (onder andere) de rechtbanken Den Haag [1] en Limburg [2] .

De beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank merkt allereerst op dat op de zitting met partijen is besproken dat op
9 maart 2022 bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) vergelijkbare zaken zijn geagendeerd en het de vraag is wat dat betekent voor de afhandeling van (onder meer) dit beroep. In de beroepen met zaaknummers UTR 21/2598 en UTR 21/2975 is op de zitting verzocht om aanhouding tot de CRvB uitspraak heeft gedaan. De rechtbank heeft die verzoeken op de zitting afgewezen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de CRvB de uitspraaktermijn in de zaken van 9 maart 2022 heeft verlengd. Omdat het op dit moment niet bekend is wanneer de CRvB uitspraak zal doen, heeft de rechtbank besloten uitspraak in dit beroep te doen.
11. De rechtbank stelt vast dat de compensatieregeling van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid is opgenomen in artikel 7:673e van het Burgerlijk Wetboek (BW). In het tweede lid van dit artikel is – samengevat – bepaald dat de compensatie gelijk is aan de vergoeding die de werkgever in verband met het eindigen van de arbeidsovereenkomst heeft verstrekt, maar niet meer bedraagt dan de transitievergoeding die op grond van de wet verschuldigd zou zijn na het wettelijke ontslagverbod van 2 jaar (artikel 7:670, lid 1, onderdeel a, van het BW).
12. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 28 juli 2021 [3] heeft geoordeeld is de wettekst van
het tweede lid van artikel 7:673e duidelijk. Uit dit tweede lid volgt dat het peilmoment op basis van de wettekst is het einde van het reguliere opzegverbod bij ziekte, twee jaar nadat de werknemer door ziekte niet kan werken. Omdat de wettekst duidelijk is, is er geen ruimte voor een andere uitleg. Naar de bedoeling van de wetgever hoeft daarom niet te worden gekeken.
13. Het opzegverbod van twee jaar liep in dit geval af op 3 september 2012. Eiseres was op dat
moment geen transitievergoeding verschuldigd aan de werkneemster. Het Uwv heeft de hoogte van het compensatiebedrag daarom terecht vastgesteld op € 0,-.
14. De uitleg die eiseres geeft aan artikel 7:673e, tweede lid, van het BW, betekent dat werkgevers die op of na 1 juli 2015 al lang bestaande slapende dienstverbanden beëindigen, in aanmerking komen voor compensatie van de betaalde transitievergoeding. De rechtbank acht dat niet aannemelijk, omdat in artikel VI van de Wet compensatie transitievergoeding is bepaald dat de compensatie niet verder terugwerkt dan tot 1 juli 2015.
15. De rechtbank overweegt verder dat het een arbeidsrechtelijke vraag is of eiseres gehouden was om vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap het dienstverband met werkneemster te beëindigen en een transitievergoeding te betalen. De rechtbank wijst in dit verband op de lijn in de arbeidsrechtspraak [4] dat van een werkgever in het kader van goed werkgeverschap niet verwacht hoeft te worden dat een slapend dienstverband wordt beëindigd, als de werkgever niet gecompenseerd wordt voor de te betalen transitievergoeding.
16. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van de lijn
in haar hiervoor al genoemde uitspraak van 28 juli 2021.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 mei 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Uitspraak van 6 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13705
2.Uitspraak van 18 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:332
4.Bijvoorbeeld de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, en van het gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:197.