ECLI:NL:RBMNE:2022:1843
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning aan een adres in woonplaats
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in woonplaats voor het belastingjaar 2020. Verweerder had de waarde vastgesteld op €376.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019 en handhaafde deze na bezwaar. Eiser stelde een lagere waarde van €321.000,- voor en voerde aan dat de referentiewoningen die verweerder gebruikte voor de waardebepaling niet goed vergelijkbaar waren.
De rechtbank overwoog dat verweerder de bewijslast droeg en aannemelijk had gemaakt met een taxatiematrix en toelichting dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix vergeleek de woning met vier referentiewoningen in dezelfde omgeving, waarbij rekening was gehouden met verschillen in voorzieningen, onderhoud, en oppervlakte. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat de referentiewoningen bovengemiddeld of luxe waren en dat het verschil in woningtype (rijwoning versus hoekwoning) de vergelijkbaarheid uitsloot.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat verweerder de waarde op een juiste wijze had bepaald en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. Schuman op 15 april 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €376.000,- wordt ongegrond verklaard.