ECLI:NL:RBMNE:2022:1845
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep
Verweerder stelde de WOZ-waarde van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] vast op €614.000,- per 1 januari 2019. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €543.000,- voor. Na een bezwaarprocedure en beroep heeft de rechtbank de waarde getoetst aan de hand van een taxatiematrix die verweerder heeft overgelegd.
De taxatiematrix bevatte vergelijkingen met drie referentiewoningen in dezelfde omgeving en van vergelijkbaar bouwjaar. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, mede omdat de verschillen tussen de woningen voldoende zijn meegewogen. De stellingen van eiser over onderhoudstoestand, waardedrukkende factoren, en vermeende schendingen van het gelijkheidsbeginsel en meerderheidsbeginsel werden niet gegrond verklaard.
De rechtbank volgde de uitleg van verweerder dat de WOZ-waarde is vastgesteld volgens een systematische vergelijkingsmethode, waarbij de beste referentiewoningen zijn geselecteerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €614.000,- wordt ongegrond verklaard.