ECLI:NL:RBMNE:2022:1846
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde hoekwoning in Utrecht voor belastingjaar 2021
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn hoekwoning in Utrecht, die voor het belastingjaar 2021 was vastgesteld op €495.000,-. Eiser stelde een lagere waarde van €435.000,- voor en voerde aan dat de referentiewoningen die verweerder gebruikte voor de waardebepaling niet voldoende vergelijkbaar waren.
Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix waarin vier referentiewoningen werden vergeleken met de woning van eiser. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de taxatiematrix rekening hield met verschillen tussen de woningen.
Eiser trok een beroepsgrond in over het ontbreken van overgelegde stukken en faalde in zijn betoog dat de referentiewoningen luxer waren dan de woning van eiser. De rechtbank volgde verweerder in diens toelichting over de staat van onderhoud en ligging van de referentiewoningen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de WOZ-waarde op juiste wijze had vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €495.000,- wordt ongegrond verklaard.