Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[verweerster sub 1] ,
[verweerster sub 2],
[verweerster sub 3],
[verweerster sub 4],
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek tot benoeming van deskundigen voor de waardebepaling van aandelen in twee besloten vennootschappen die door de moeder aan haar zoon zijn gelegateerd. De peildatum voor de waardering is het moment van het overlijden van de moeder in 2014. De zoon wenst uitvoering van het legaat, terwijl de andere erfgenamen betogen dat eerst de ontbonden huwelijksgemeenschap van de ouders moet worden verdeeld voordat over het legaat kan worden beschikt.
De kantonrechter oordeelt dat de uiterste wil van de moeder niet kan worden verkort door toepassing van artikel 4:51 BW Pro op de wijze zoals de tegenpartijen dat voorstellen. De aandelen behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap, maar moeder had het recht om hierover te beschikken en wilde dat de aandelen aan de zoon werden geleverd tegen inbreng van de waarde per 2014.
De kantonrechter stelt dat voor de waardebepaling geen onderzoek naar nevenactiviteiten van de zoon buiten de betrokken ondernemingen nodig is. Hoewel de zoon het vertrouwen in de beoogde deskundigen heeft verloren, benoemt de kantonrechter deze toch als meest geschikte deskundigen, met de instructie zich te beperken tot relevante stukken.
De proceskosten worden gecompenseerd door elke partij de eigen kosten te laten dragen. De kantonrechter wijst het meer of anders verzochte af en benadrukt het belang van mediation om verdere escalatie te voorkomen.
Uitkomst: De kantonrechter benoemt deskundigen voor waardebepaling aandelen per datum overlijden moeder en wijst overige verzoeken af.