Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift van 1 februari 2022 met bijlagen;
- het e-mailbericht van de heer [A] van 18 april 2022.
2.De feiten
[B](hierna: de moeder). De moeder is in 1991 overleden.
[C].
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker, 55 jaar oud, verzocht de rechtbank om de erkenning van zijn vaderschap door de heer C te vernietigen en het vaderschap van de heer A vast te stellen. De moeder van verzoeker was zwanger geraakt van de heer A, maar verzoeker werd erkend door de heer C, met wie de moeder was gehuwd. Uit DNA-onderzoek bleek dat de heer A de biologische vader is.
Verzoeker was al tijdens zijn minderjarigheid op de hoogte dat de heer C niet zijn biologische vader was, maar heeft het verzoek pas op latere leeftijd ingediend, waardoor de wettelijke termijn van drie jaar is overschreden. Verzoeker beroept zich op artikel 8 EVRM Pro om de termijn buiten toepassing te laten.
De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding geen ontoelaatbare inbreuk vormt op het familie- en gezinsleven, mede vanwege het belang van rechtszekerheid en het feit dat de heer C de sociale en juridische ouder was die voor verzoeker heeft gezorgd. De rechtbank weigert daarom het verzoek tot vernietiging van de erkenning en wijst ook het verzoek tot vaststelling van het vaderschap van de heer A af.
Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van de erkenning en tot vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen vanwege ruime termijnoverschrijding en het belang van rechtszekerheid.